ECLI:NL:CRVB:2008:BD6145
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.M. van de Kerkhof
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant viel sinds 1 april 1998 uit wegens psychische klachten en ontving vanaf 31 maart 1999 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV trok deze uitkering per 20 januari 2005 in, stellende dat de arbeidsongeschiktheid onder de 15% was gedaald. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze beslissing ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV onjuiste conclusies had getrokken over zijn klachten en beperkingen, mede omdat hij tijdens de bezwaarhoorzitting klachten niet had gemeld. Tevens stelde hij dat het UWV een onjuiste diagnose had gesteld en dat hij de door het UWV geduide functies niet kon verrichten. Hij verzocht om benoeming van een onafhankelijke medische deskundige.
De Raad overwoog dat de nieuwe argumenten geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten bevatten en bevestigde het oordeel van de rechtbank over de medische en arbeidskundige grondslag. Er was geen medische informatie overgelegd die twijfel kon zaaien over de vastgestelde beperkingen. De Raad verwierp de stelling dat het UWV klachten had genegeerd enkel vanwege het niet melden tijdens de hoorzitting. De door het UWV geduide functies waren gebaseerd op de vastgestelde beperkingen. De Raad zag geen aanleiding voor nader onderzoek door een onafhankelijke deskundige en vond geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de intrekking van de WAO-uitkering.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.