ECLI:NL:CRVB:2008:BD5200
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van het besluit tot herziening van WAO-uitkering ondanks bezwaar appellant
Appellant, voormalig sales manager, meldde zich op 10 juli 2003 arbeidsongeschikt wegens hartklachten. Het UWV kende hem een WAO-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Na aanvullend medisch onderzoek en een arbeidsdeskundig rapport werd de uitkering per 29 maart 2005 herzien naar een arbeidsongeschiktheid van 45-55%.
Appellant maakte bezwaar tegen deze herziening en voerde aan dat hij op basis van een brief van 31 augustus 2004 mocht verwachten dat nader onderzoek achterwege zou blijven en dat hij volledig arbeidsongeschikt was. De bezwaarverzekeringsarts bevestigde het eerdere medische oordeel en het UWV wees het bezwaar af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek adequaat was en dat de brief geen gerechtvaardigde verwachting schepte.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat de nieuwe regelgeving niet op appellant van toepassing was en dat het medisch onderzoek, inclusief overleg met de cardioloog, voldoende was. De Raad vond geen aanwijzingen dat appellant ernstiger beperkt was dan aangenomen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot herziening van de WAO-uitkering en wijst het hoger beroep af.