ECLI:NL:CRVB:2008:BD4931
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Vaststelling voldoende re-integratie-inspanningen en afwijzing loonsanctie werkgever
Betrokkene was werkzaam als buis- en leidinglegger bij een werkgever en viel uit wegens psychische klachten en suikerziekte. Na een aanvraag voor een WAO-uitkering en beoordeling van de re-integratie-inspanningen van de werkgever, concludeerde het UWV dat deze inspanningen voldoende waren en weigerde het een loonsanctie op te leggen.
De rechtbank Zutphen vernietigde dit besluit omdat het UWV volgens haar een nader onderzoek bij de werkgever had moeten instellen in plaats van alleen de gedingstukken te beoordelen. De Centrale Raad van Beroep kwam echter tot een ander oordeel en stelde dat het UWV terecht het bezwaar ongegrond heeft verklaard.
De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin werd vastgesteld dat het opleggen van een minimumsanctie van vier maanden in strijd is met de WAO. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Er werden geen proceskosten toegewezen.
De uitspraak bevestigt dat het UWV een besluit moet nemen over het verzoek tot loonsanctie op basis van een beoordeling van de re-integratie-inspanningen, en dat het beleid van het UWV met een vaste minimumsanctie niet verenigbaar is met de WAO.
Uitkomst: Het verzoek tot oplegging van een loonsanctie aan de werkgever wordt afgewezen omdat de re-integratie-inspanningen voldoende zijn geweest.