ECLI:NL:CRVB:2008:BD4104
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling minimumgrondslag periodieke uitkering op grond van Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers
Appellant, geboren in 1932, diende in juni 2005 een aanvraag in voor een periodieke uitkering en een vergoeding voor gebitsrehabilitatie op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Bij besluit van oktober 2006 werd hij erkend als vervolgde en toegekend een uitkering vanaf juni 2005, inclusief een vergoeding voor gebitsrehabilitatie en een tegemoetkoming voor maatschappelijke deelname. De psychische en gebitsklachten werden geaccepteerd als oorlogsgerelateerd, maar de hartklachten en hypertensie niet.
Na bezwaar werd de vergoeding voor gebitsrehabilitatie verhoogd, maar het overige bezwaar ongegrond verklaard. Appellant voerde in beroep aan dat de grondslag van zijn uitkering onjuist was vastgesteld omdat deze niet was gebaseerd op zijn vroegere inkomen en dat de aftrek wegens inkomsten uit vermogen onterecht was.
De Raad oordeelde dat de minimumgrondslag terecht was toegepast, aangezien appellant al geruime tijd niet meer werkzaam was en er geen bewijs was dat zijn arbeidsongeschiktheid voortkwam uit zijn oorlogsverleden. Medische gegevens ontbraken die het verband tussen hartklachten en oorlog konden staven. De bezwaren over de vermogensvaststelling werden niet inhoudelijk behandeld omdat die onder een ander bezwaarprocedure vallen.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de minimumgrondslag van de periodieke uitkering wordt gehandhaafd.