ECLI:NL:CRVB:2008:BD4008

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4965 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag periodieke uitkering wegens ontbreken vrijheidsberoving tijdens dwangarbeid

Appellant, geboren in 1928 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in juni 2006 een aanvraag in voor een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij stelde dat hij in 1943 samen met zijn broer was opgepakt door de Japanners om als dwangarbeider op een koffieplantage te werken.

De verweerster wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat appellant vrijheidsberoving onder permanente bewaking had ondergaan. In het onderzoek bleek dat appellant ’s avonds meestal naar huis kon terugkeren, wat duidt op bewegingsvrijheid die niet strookt met de definitie van vrijheidsberoving volgens de Wet.

De Raad concludeerde dat er geen objectieve gegevens zijn die de vrijheidsberoving bevestigen en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van bewijs voor vrijheidsberoving onder permanente bewaking.

Uitspraak

07/4965 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 5 juni 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 28 juni 2007, onderwerp BZ 46970, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2008. Appellant is niet verschenen en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant, geboren in 1928 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in juni 2006 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van onder meer een periodieke uitkering op grond van de Wet. In dat verband heeft appellant gesteld dat hij in 1943 samen met zijn broer is opgepakt door de Japanners om als dwangarbeider in Air Ding op een koffieplantage te werken.
2. Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 12 februari 2007, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat niet is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat er sprake was van vrijheidsberoving onder permanente bewaking tijdens de door appellant gemelde dwangarbeid.
3. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd overweegt de Raad als volgt.
3.1. Volgens artikel 2, tweede lid, van de Wet, wordt - voor zover hier van belang - onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling en welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking werd beoogd.
3.2. Blijkens de gedingstukken zijn met betrekking tot de oorlogservaringen van appellant geen objectieve gegevens beschikbaar, die bevestigen dat appellant vrijheidsberoving als hiervoor bedoeld heeft ondergaan. Hierbij is van belang dat verweerster in de haar ter beschikking staande archieven een zorgvuldig te noemen onderzoek heeft gedaan, waarbij van een permanente bewaking niet is kunnen blijken. Uit het sociaal rapport blijkt ook dat appellant zelf heeft aangegeven dat hij ’s avonds in beginsel naar huis kon terugkeren. Alleen als het werk te ver van huis moest worden verricht ging hij niet terug. Dit duidt op een bewegingsvrijheid die zich niet verdraagt met de voor vrijheidsberoving in de zin van de Wet vereiste permanente bewaking.
3.3. Gezien het vorenstaande moet het beroep van appellant ongegrond worden verklaard.
4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2008.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) M. van Berlo.
HD
25.05