ECLI:NL:CRVB:2008:BD3520
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WAO-uitkering na zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek
Appellant, werkzaam als vertegenwoordiger, meldde zich per 19 augustus 2003 ziek met klachten die teruggingen op een auto-ongeval in 1996. Na medisch en neuropsychologisch onderzoek door verzekeringsartsen en specialisten werd een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% vastgesteld, waarop het UWV een WAO-uitkering baseerde.
Appellant voerde in bezwaar en hoger beroep aan dat zijn beperkingen werden onderschat en dat hij niet geschikt was voor de hem voorgehouden functies. Diverse medische rapporten, waaronder van een revalidatiearts en neuropsycholoog, werden ingebracht ter onderbouwing.
De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij ook de door appellant aangevoerde klachten voldoende in aanmerking waren genomen. De arbeidsdeskundige rapporten toonden aan dat de voorgestelde functies binnen de belastbaarheid van appellant vielen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Utrecht bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV om de WAO-uitkering te handhaven op 45 tot 55% arbeidsongeschiktheid.