AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging toelichting eindoordeel in POS-formulier medewerker parketpolitie
Appellant, werkzaam als surveillant bij de parketpolitie, maakte bezwaar tegen de toelichting op het eindoordeel in zijn POS-formulier over de periode 1 juli 2003 tot 1 juli 2004. De rechtbank had het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat de toelichting geen besluit in de zin van de Awb zou zijn.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat de toelichting integraal onderdeel is van de beoordeling en dus vatbaar is voor bezwaar en beroep. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het bezwaar ontvankelijk.
De Raad stelt vast dat de toelichting onjuiste feiten bevat, waaronder verwijzingen naar gedragingen buiten de beoordelingsperiode. Ook is de negatieve kwalificatie niet in overeenstemming met de scores op de functioneringsaspecten. De Raad herroept daarom de toelichting op het eindoordeel en bepaalt dat het vernietigde deel van het besluit wordt vervangen door deze uitspraak.
Tot slot wordt appellant het betaalde griffierecht vergoed. De overige delen van het POS-formulier blijven ongewijzigd in stand.
Uitkomst: De toelichting op het eindoordeel in het POS-formulier wordt vernietigd en herroepen wegens onjuistheden en verwijzingen buiten de beoordelingsperiode.
Uitspraak
07/181 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 20 december 2006, 06/4019 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Korpsbeheerder van de politieregio [regio] (hierna: korpsbeheerder)
Datum uitspraak: 22 mei 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2008. Appellant is verschenen. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Verstegen, werkzaam bij de politieregio [regio].
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellant was ten tijde hier van belang bij de politieregio [regio] aangesteld als medewerker parketpolitie in de functie van surveillant. Bij besluit van 16 april 2005 is ten aanzien van hem een Formulier Personeelsontwikkeling (hierna: POS-formulier) vastgesteld over het tijdvak van 1 juli 2003 tot 1 juli 2004. Bij besluit op bezwaar van
16 december 2005 (hierna: bestreden besluit) is het hiertegen gerichte bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
1.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de in het POS-formulier opgenomen toelichting bij het eindoordeel niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, of als een handeling als bedoeld in artikel 8:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuurswet (hierna: Awb) kan worden aangemerkt. Aangezien het bezwaar van appellant uitsluitend gericht was tegen deze toelichting had de korps-beheerder het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. Met gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het bestreden besluit heeft de rechtbank het bezwaar tegen het POS-formulier van 16 april 2005 niet-ontvankelijk verklaard.
2.1. Appellant heeft de uitkomst van de rechtbank bestreden en overigens al zijn eerdere bezwaar- en beroepsgronden tegen het bij het bestreden besluit ongewijzigd gehandhaafde POS-formulier herhaald.
2.2. De korpsbeheerder heeft zich met betrekking tot de ontvankelijkheid van het bezwaar gerefereerd aan het oordeel van de Raad en heeft met betrekking tot het bestreden besluit gemotiveerd verweer gevoerd.
3. De Raad overweegt het volgende.
4. De ontvankelijkheid van het bezwaar
4.1. Het in de politieregio [regio] geldende Personeelsontwikkelingssysteem is gebaseerd op artikel 71 vanPro het Besluit algemene rechtspositie politie. Ingevolge deze regelgeving kan over het functioneren van een ambtenaar een POS-formulier worden vastgesteld, waarbij over voorgeschreven functioneringsaspecten een oordeel wordt gegeven en eventuele afspraken voor de toekomst worden gemaakt. Het formulier bevat tevens het onderdeel Eindresultaat en ruimte voor aanvullende opmerkingen.
4.2. Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad heeft eerder aanvaard (CRvB 7 juni 2001, 99/2021 en 4813 AW) dat tegen de vaststelling van een beoordeling in een POS-formulier bezwaar en beroep openstaat.
4.3. De op het POS-formulier van 16 april 2005 in het blok Eindresultaat opgenomen (uitvoerige) passage met het opschrift "Toelichting bij het eindoordeel" kan naar het oordeel van de Raad niet anders worden gezien dan als een onderdeel van de over appellant vastgestelde beoordeling. Deze toelichting is daarmee, evenals de scores op de diverse functioneringsaspecten en op het eindresultaat, vatbaar voor bezwaar en beroep.
4.4. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, stond voor appellant dus bezwaar open tegen de toelichting op het eindoordeel in het POS-formulier. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking.
5. Het bestreden besluit
5.1. Aangezien de zaak naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal de Raad vervolgens de vraag beantwoorden of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
5.2. Appellants standpunt dat hij geschaad is door de vermelding van een verkeerde opmaakdatum op het POS-formulier kan de Raad niet delen. Aan appellant is nadien kenbaar gemaakt dat er een vergissing was gemaakt en er is geen aanleiding om aan de juistheid van die mededeling te twijfelen.
5.3. Appellant is van opvatting, dat alleen de leidinggevende, met wie ook het ontwikkel-gesprek wordt gevoerd, de inhoud van de beoordeling dient te bepalen en dat de naasthogere leidinggevende, die namens de korpsbeheerder het POS-formulier vaststelt, niet gerechtigd is om aanvullingen of wijzigingen in de tekst aan te brengen.
De Raad kan appellant niet volgen. Daargelaten dat niet goed denkbaar zou zijn dat de ambtenaar, die verantwoordelijk is voor de vaststelling van een beoordeling, geen invloed zou toekomen op de inhoud daarvan, ziet de Raad in de brochure over het Personeels-ontwikkelingssysteem, en met name in Stap 10, aan de naasthogere leidinggevende ook een grotere rol toebedeeld dan uitsluitend het ongewijzigd vaststellen van het POS-formulier. Dat de naasthogere leidinggevende een tekstvoorstel heeft gedaan dat vervolgens in dit POS-formulier is opgenomen, is dan ook niet in strijd met de geldende procedureregels.
5.4. Appellant heeft met betrekking tot de inhoud van de meergenoemde toelichting naar voren gebracht dat er ten onrechte ook buiten de beoordelingsperiode gelegen feiten vermeld zijn en dat de weergave van de feiten niet steeds in overeenstemming met de werkelijkheid is. Mede vanwege deze onjuistheden betwist appellant de door de korpsbeheerder in de toelichting gegeven kwalificaties.
5.5. De Raad acht de door appellant genoemde kritiek op de inhoud van de toelichting in grote lijnen juist.
Een substantieel deel van de toelichting gaat over het zogenoemde bezwaargedrag van appellant gedurende de afgelopen vijf jaar. Aangezien het POS-formulier betrekking heeft op het tijdvak van 1 juli 2003 tot 1 juli 2004 is het niet aanvaardbaar om in een toelich-ting te verwijzen naar gebeurtenissen buiten deze beoordelingsperiode. In zoverre is de toelichting ook niet een toelichting op het eindoordeel, zoals in de kop wordt vermeld. Voor zover de kritische opmerkingen over appellants bezwaargedrag betrekking hebben op het tijdvak van 1 juli 2003 tot 1 juli 2004 is aan de Raad voorts niet gebleken dat de kritische toonzetting en de negatieve kwalificaties in de toelichting te rijmen zijn met één of meer van de scores en/of toelichting op de functioneringsaspecten waarin het desbetref-fende gedrag aan de orde had kunnen worden gesteld.
Van de aan het slot van de toelichting gememoreerde gedraging van appellant, die zich onbetwist heeft afgespeeld na afloop van de beoordelingsperiode, geldt hetzelfde als met betrekking tot het bezwaargedrag.
5.6. Het vorenstaande brengt mee dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden en vernietigd moet worden. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de toelichting op het eindoordeel in het POS-formulier herroepen. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat tegen het overige deel van het POS-formulier los van de toelichting geen grieven zijn aangevoerd en dat het door de Raad gegeven oordeel voor het grootste deel van de toelichting geldt.
6. Van voor vergoeding in aanmerking te brengen proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 vanPro de Awb is de Raad niet gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 16 december 2005 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover daarbij de in het POS-formulier van 16 april 2005 gegeven toelichting op het eindoordeel is gehandhaafd;
Herroept het besluit van 16 april 2005 voor zover in het POS-formulier een toelichting op het eindoordeel is opgenomen;
Bepaalt dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 16 december 2005;
Bepaalt dat de politieregio [regio] aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 349,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.G. Treffers en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2008.