ECLI:NL:CRVB:2008:BD2822

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 mei 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5583 AW, 06-5584 AW , 07-5572 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
  • J.G. Treffers
  • A.A.M. Mollee
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbArt. 24 sociaal statuut waterschappelijke reorganisatie Gelderland
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep vernietigt afwijzing pré-V.U.T.-regeling en herroept plaatsingsbesluit Waterschap Rivierenland

Appellant, jarenlang hoofd van een afdeling met schaal 13, werd bij een waterschappelijke reorganisatie bovenformatief geplaatst zonder passende of geschikte functie binnen schaal 13. Hij vroeg om toepassing van de pré-V.U.T.-regeling, maar het college wees dit af na belangenafweging. Ook werd hem een functie op lager schaalniveau opgedragen.

De rechtbanken verklaarden de beroepen van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat artikel 24 van Pro het sociaal statuut limitatief bepaalt wanneer een ambtenaar in aanmerking komt voor de pré-V.U.T.-regeling. Aangezien er geen passende of geschikte functie beschikbaar was, had appellant recht op deze regeling. De Raad vernietigt daarom de eerdere uitspraken en besluiten.

Daarnaast wordt het plaatsingsbesluit herroepen omdat het niet gerechtvaardigd is een functie toe te wijzen als de pré-V.U.T.-regeling van toepassing is. Het waterschap wordt veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht wordt aan appellant vergoed.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de afwijzing van de pré-V.U.T.-regeling en herroept het plaatsingsbesluit, met veroordeling van het waterschap in proceskosten.

Uitspraak

06/5583 AW
06/5584 AW
07/5572 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
[Appellant] (Duitsland), (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 11 september 2006, 06/3534 en 06/3780 (hierna: aangevallen uitspraak 1), en de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 16 augustus 2007, 06/5877 (hierna: aangevallen uitspraak 2),
in de gedingen tussen:
appellant
en
het College van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland (hierna: college)
Datum uitspraak: 15 mei 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.
Het college heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. S. Levelt, advocaat te Amsterdam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Kerkhof, advocaat te ’s-Hertogenbosch, en J.C. Hugo, werkzaam bij het waterschap Rivierenland (hierna: waterschap).
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreid overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraken. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1. Appellant is zeer veel jaren werkzaam geweest als hoofd van de afdeling [naam afdeling], met een bezoldiging in schaal 13. Bij de waterschappelijke reorganisatie van het Gelders rivierengebied per 1 januari 2003 is appellant geplaatst als bovenformatief medewerker van het waterschap. Hij bleef bezoldigd naar schaal 13. Terwijl hij gedetacheerd was bij het hoogheemraadschap [naam hoogheemraadschap] werden hem verschillende functies aangeboden binnen het waterschap. Deze functies waren in de zin van het, ten behoeve van de reorganisatie vastgestelde, sociaal statuut waterschappelijke reorganisatie Gelderland (hierna: sociaal statuut) geen passende functies: zij lagen op een lager schaalniveau dan schaal 13. Verder heeft appellant niet geopteerd voor een geschikte functie in de zin van het sociaal statuut: een functie die niet valt onder het begrip “passend”, maar die de ambtenaar bereid is te vervullen.
1.2. Nadat er drie jaren waren verstreken, heeft appellant het verzoek gedaan hem in aanmerking te laten komen voor de in artikel 24 van Pro het sociaal statuut vervatte regeling van de pré-V.U.T. (hierna: pré-V.U.T.-regeling). Het college heeft het niet opportuun geacht appellant in aanmerking te laten komen voor die regeling en heeft na een afweging van belangen het verzoek van appellant afgewezen bij besluit van 23 februari 2006 (hierna: pré-V.U.T.-besluit). Na bezwaar is die afwijzing gehandhaafd bij het besluit van 30 juni 2006 (hierna: bestreden besluit 1).
1.3. Voor zover hier van belang is bij de aangevallen uitspraak 1 het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Tevens is een bepaling gegeven over de vergoeding van het griffierecht.
1.4. Hangende het bezwaar tegen het pré-V.U.T.-besluit is appellant bij besluit van 16 juni 2006 (hierna ook: plaatsingsbesluit) met ingang van 1 juli 2006 de functie van senior medewerker Bedrijfsvoering opgedragen. Na bezwaar is het plaatsingsbesluit gehandhaafd bij besluit van 5 oktober 2006 (hierna: bestreden besluit 2).
1.5. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.
2. Appellant kan zich niet vinden in de aangevallen uitspraken. In de eerste plaats is hij van opvatting dat de beoordelingsvrijheid van het college bij het toekennen van de pré-V.U.T-regeling op basis van artikel 24 van Pro het sociaal statuut beperkt is omdat dat artikel de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om in aanmerking te komen voor deze regeling, limitatief beschrijft. Appellant is van mening dat aan die voorwaarden is voldaan.
3. Namens het college is, ook ter zitting desgevraagd, het standpunt ingenomen dat hier weliswaar de toepassing van artikel 24 van Pro het sociaal statuut aan de orde is, maar dat die toepasselijkheid in dit geval echter niet meebrengt dat appellant in aanmerking komt voor de in dat artikel vervatte pré-V.U.T.-regeling. Het college heeft er in dat verband op gewezen dat de definitiebepalingen van het sociaal statuut “het wel lastig maken”, maar dat de definities afwijken van hetgeen in de jurisprudentie van de Raad is ontwikkeld. Het college is van mening dat de mogelijkheid om van de pré-V.U.T.-regeling gebruik te maken een gunst is en geen recht en dat aan het college de bevoegdheid toekomt om een verzoek af te wijzen op grond van een afweging van belangen. In beginsel zijn er binnen het waterschap voldoende geschikte functies voorhanden geweest. Appellant wordt dan ook tegengeworpen dat hij zich niet tot het uiterste heeft ingespannen voor het vinden van een functie.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Het pré-V.U.T.-besluit.
4.1.1. Gegeven de opvatting daarover van beide partijen neemt de Raad de toepasselijk-heid van artikel 24 van Pro het sociaal statuut tot uitgangspunt. Dat artikel bevat duidelijke definities van de begrippen “passende functie” en “geschikte functie”. De bepalingen van het sociaal statuut zijn blijkens artikel 1 de Pro weergave van hetgeen de betrokken organisa-ties van werknemers en het college hebben vastgelegd over de wederzijdse rechten en verplichtingen. De Raad ziet dan geen grondslag voor het standpunt van het college om die definities niet letterlijk te volgen. Dat zou anders kunnen zijn indien die uitleg zou leiden tot een ongerijmde uitkomst.
4.1.2. Blijkens de onder 1.1. weergegeven feiten was er voor appellant - in de terminolo-gie van artikel 24 van Pro het sociaal statuut - in het kader van de reorganisatie geen passende of geschikte functie in de nieuwe organisatie aanwezig. Dan kan slechts de conclusie worden getrokken dat appellant in aanmerking kwam voor de pré-V.U.T.-regeling. De Raad is van oordeel dat dit geen ongerijmde uitkomst is, ook niet als gezegd zou kunnen worden dat de intentie van de opstellers van het sociaal statuut is geweest het behoud van zoveel mogelijk werkgelegenheid voor de betrokken ambtenaren. Er is immers uitdruk-kelijk ook voorzien in de mogelijkheid van gebruikmaking van de pré-V.U.T.-regeling in geval geen passende of geschikte functie voorhanden is. Anders dan het college ziet de Raad in artikel 24 van Pro het sociaal statuut geen enkel aanknopingspunt gelegen voor de stelling dat toekenning van de pré-V.U.T.-regeling afhankelijk is van de inspanningen die de ambtenaar zich heeft getroost om een passende of geschikte functie te verwerven.
4.1.3. Het hoger beroep van appellant tegen de aangevallen uitspraak 1 treft dus doel omdat in die uitspraak de (handhaving van de) afwijzing van appellants verzoek om hem in aanmerking te laten komen voor de pré-V.U.T.-regeling, ten onrechte in stand is gelaten. De aangevallen uitspraak 1 moet dan ook, voor zover aangevochten en behoudens de beslissingen over proceskosten en griffierecht, worden vernietigd. Ook het bestreden besluit moet worden vernietigd. Het college zal opnieuw op het bezwaar van appellant moeten beslissen en daarbij positief moeten beschikken op de aanvraag om hem in aanmerking te brengen voor de pré-V.U.T.-regeling.
4.2. Het plaatsingsbesluit.
4.2.1. Nu uit het onder 4.1.2. overwogene volgt dat het verzoek van appellant om hem in aanmerking te brengen voor de pré-V.U.T.-regeling moet worden ingewilligd, is er geen rechtsgrond meer voor de beslissing appellant de functie van senior medewerker Bedrijfs-voering op te dragen. Het bezwaar tegen het plaatsingsbesluit is dus gegrond en dat besluit moet worden herroepen. Bij de aangevallen uitspraak 2 is het bestreden besluit 2 dan ook ten onrechte in stand gelaten, zodat (ook) die uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.
5. Appellant heeft bij de bezwaarschriften tegen het pré-V.U.T.-besluit en het plaatsings-besluit verzocht om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van de bezwaren. Nu de Raad het college zal opdragen de aanvraag om de pré-V.U.T-regeling in te willigen en nu de Raad het plaatsingsbesluit zal herroepen wegens aan het college te wijten onrechtmatigheid, is er aanleiding het college in beide gevallen te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar. Deze worden begroot op € 966,- aan kosten van rechtsbijstand.
6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het college op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beide gedingen in eerste aanleg en in de hoger beroepen. Deze kosten worden begroot op
€ 644,- aan kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg in het geding betreffende het pré-V.U.T.-besluit en op € 644,- aan kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg in het geding betreffende het plaatsingsbesluit en op € 966,- aan kosten van rechtsbijstand in de hoger beroepen, in totaal op € 2.254,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten en behoudens de beslissingen over de proceskosten en het griffierecht;
Verklaart het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;
Draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant tegen het pré-V.U.T.-besluit van 23 februari 2006 met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen;
Vernietigt aangevallen uitspraak 2;
Verklaart het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 gegrond en vernietigt dat besluit;
Herroept het plaatsingsbesluit van 16 juni 2006;
Veroordeelt het college in de kosten van bezwaar, beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 3.220,-, te betalen door het waterschap Rivierenland;
Bepaalt dat het waterschap Rivierenland aan appellant het door hem in het beroep tegen het plaatsingsbesluit en het door hem in de beide hoger beroepen betaalde griffierecht van in totaal € 566,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.G. Treffers en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2008.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) P.W.J. Hospel.
HD
Q