ECLI:NL:CRVB:2008:BD2663

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 mei 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6632 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Bolt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken procesbelang bij WAO-uitkeringsintrekking

Appellante stelde hoger beroep in tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering, berekend op een arbeidsongeschiktheid van 80-100%, per 26 januari 2006 in te trekken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en vernietigde het arbeidskundige gedeelte van het besluit, waarna het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Het UWV nam vervolgens een gewijzigd besluit op bezwaar waarin de arbeidsongeschiktheid van appellante alsnog werd vastgesteld op 80 tot 100%. Appellante gaf aan zich te kunnen vinden in dit gewijzigde besluit en verzocht de Raad om veroordeling van het UWV in haar proceskosten.

De Raad stelde vast dat door het gewijzigde besluit het geschil tussen partijen was komen te vervallen, waardoor appellante geen procesbelang meer had bij het hoger beroep. Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante, inclusief vergoeding van het griffierecht.

Uitkomst: Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang, met veroordeling van het UWV in de proceskosten van appellante.

Uitspraak

06/6632 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 17 oktober 2006, 06/2115 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 20 mei 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven het onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 29 november 2005 heeft het Uwv de aan appellante krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkering, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 26 januari 2006 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.
Bij besluit van 7 april 2006, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 29 november 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het arbeidskundige gedeelte van het bestreden besluit vernietigd, het bestreden besluit voor het overige in stand gelaten en het Uwv opgedragen, voor zover het bestreden besluit is vernietigd, een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van haar uitspraak. Voorts heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de door appellante gemaakte proceskosten en bepaald dat het Uwv het griffierecht aan appellante vergoedt.
Namens appellante is hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft de Raad bij schrijven van 8 november 2007 medegedeeld een gewijzigd besluit op bezwaar, van gelijke datum, te hebben afgegeven. Bij dit besluit is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 26 januari 2006 alsnog gesteld op 80 tot 100%.
Namens appellante is aan de Raad bericht dat appellante zich kan vinden in het gewijzigd besluit op bezwaar van 8 november 2007 en is de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante.
De Raad stelt vast dat tussen partijen geen geschil meer bestaat over de kwestie die appellante in hoger beroep aan de Raad ter beoordeling heeft voorgelegd. Dit betekent dat appellante geen procesbelang meer heeft bij een beslissing van de Raad op het hoger beroep.
Dit brengt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep, welke met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn begroot op € 322,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2008.
(get.) H. Bolt.
(get.) J.W. Engelhart.
JL