ECLI:NL:CRVB:2008:BD1895
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en herziening WW-uitkering wegens onrechtmatig verhoogd loon
Appellante was werkzaam als visfileerder bij een bedrijf dat failliet ging. Zij ontving een WW-uitkering die gebaseerd was op een opvallende en ongebruikelijke loonsverhoging vanaf oktober 2004. Het UWV stelde na onderzoek vast dat deze loonsverhoging niet rechtens was en dat de uitkering daarom onterecht was toegekend.
De Raad beoordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat er een afdwingbare loonafspraak bestond, mede omdat de loonsverhoging niet schriftelijk was vastgelegd en niet was uitbetaald. Ook getuigenverklaringen ondersteunden de stelling van appellante niet. De loonstroken waren achteraf opgesteld en boden geen betrouwbaar beeld van het loon.
De Raad oordeelde dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden, waardoor het UWV terecht de uitkering heeft ingetrokken en herzien. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat in vergelijkbare zaken de loonsverhoging wel was uitbetaald. De terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag werd niet inhoudelijk beoordeeld wegens gebrek aan zelfstandige beroepsgronden.
De Centrale Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en zag geen aanleiding om het UWV in de proceskosten te veroordelen.
Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt dat de WW-uitkering ten onrechte is gebaseerd op een onrechtmatig verhoogd loon en keurt de intrekking, herziening en terugvordering goed.