ECLI:NL:CRVB:2008:BD1496

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4578 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks vermoeidheidsklachten en hormoontekort

Appellante maakte bezwaar tegen de herziening van haar WAO-uitkering, waarbij het UWV haar arbeidsongeschiktheid had verlaagd van 45-55% naar 15-25% met ingang van 1 maart 2005. De rechtbank wees het bezwaar af en appellante ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad overwoog dat de medische beperkingen die door de (bezwaar)verzekeringsartsen waren vastgesteld, niet te gering waren en dat deze artsen rekening hadden gehouden met de vermoeidheidsklachten van appellante door vooral energetische beperkingen te hanteren. Het hormoontekort dat appellante aanvoerde als oorzaak van haar klachten werd niet als voldoende medisch objectief bewijs erkend, mede omdat de huisarts aangaf dat hormoonmedicatie werd gegeven zonder bewezen tekort.

De Raad concludeerde dat appellante met inachtneming van de beperkingen geschikt was voor de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering werd bevestigd en het hoger beroep van appellante werd afgewezen.

Uitspraak

06/4578 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 juni 2006, 05/6214 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 25 april 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft P.J. Hagemeijer, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben over en weer nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2008. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Sowka.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de aangevallen uitspraak heeft weergegeven.
Bij besluit van 6 januari 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, met ingang van 1 maart 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Het Uwv heeft bij besluit van 27 juli 2005 het door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat appellante met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.
De Raad kan de rechtbank volgen in haar oordeel dat op grond van de stukken kan worden aangenomen dat de (bezwaar)verzekeringsartsen bij appellante niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. De Raad neemt in aanmerking dat de verzekeringsartsen op de hoogte waren van appellantes vermoeidheidsklachten en met deze klachten ook rekening gehouden hebben door het aannemen van vooral energetische beperkingen bij het vaststellen van de functionele mogelijkheden van appellante
De Raad kan appellante niet volgen in haar standpunt dat er te weinig rekening is gehouden met het bij haar vastgestelde hormoontekort die volgens haar een medisch objectiveerbare verklaring biedt voor haar vermoeidheidsklachten en waardoor zij op de datum in geding feitelijk nauwelijks in staat was activiteiten te verrichten. De Raad neemt daarbij in overweging dat appellantes huisarts in zijn schrijven van 11 oktober 2005 aangegeven heeft dat de hormoonmedicatie niet gegeven wordt op basis van een bewezen hormoontekort of een aangetoonde ziekte, maar omdat van dit middel bekend is dat het tot verbetering van klachten kan leiden in situaties waarin geen andere therapie mogelijk is.
Uit het vorengemelde vloeit voort dat de Raad van oordeel is dat appellante met inachtneming van de door de (bezwaar)verzekeringsartsen aangenomen beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.
Het hoger beroep slaagt niet.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 april 2008.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) T.R.H. van Roekel.
TM