ECLI:NL:CRVB:2008:BD1343

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4474 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2, eerste lid, onder f, Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag toeslag en uitkering op grond van Wet burger-oorlogsslachtoffers wegens ontbreken invaliderende oorzaken

Appellant, geboren in 1936 in het voormalig Nederlands-Indië, vroeg erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en een toeslag, periodieke uitkering en voorzieningen op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Hoewel zijn internering tijdens de Bersiap-periode werd erkend als oorlogsgeweld, werd zijn aanvraag afgewezen omdat geen sprake was van blijvende invaliditeit veroorzaakt door het oorlogsgeweld.

Appellant voerde aan dat zowel zijn fysieke als psychische klachten verband hielden met zijn oorlogservaringen en later straatgeweld. De Raad oordeelde dat het straatgeweld plaatsvond buiten de wettelijke periode en daarom niet relevant was. Medische rapporten toonden aan dat zijn lichamelijke klachten zoals oogproblemen, maag-darmbloedingen, jicht en nierinsufficiëntie niet oorzakelijk verband hielden met de oorlog.

Ten aanzien van de psychische klachten concludeerde de Raad op basis van een uitgebreid medisch onderzoek dat deze weliswaar beperkingen veroorzaakten, maar niet invaliderend waren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de lichamelijke klachten niet door oorlogsgeweld worden veroorzaakt en de psychische klachten niet invaliderend zijn.

Uitspraak

07/4474 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 24 april 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 21 juni 2007, onderwerp BZ 7691, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2008. Appellant is niet verschenen en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant, geboren in 1936 in het voormalig Nederlands-Indië, heeft in augustus 2006 een aanvraag gedaan om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Bij besluit van 21 februari 2007 heeft verweerster erkend dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld, omdat zijn internering in de Darmo-wijk te Soerabaja en in kamp Soemobito te Modjokerto tijdens de Bersiap-periode is komen vast te staan. De aanvraag van appellant van een toeslag, een periodieke uitkering en voorzieningen is echter bij dit besluit, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, afgewezen op de grond dat geen sprake is van blijvende invaliditeit door het oorlogsgeweld. Verweerster heeft daarbij geoordeeld dat de lichamelijke klachten van appellant met het oorlogsgeweld geen verband houden en dat de causale psychische klachten niet invaliderend zijn.
2. Appellant heeft in beroep in hoofdzaak naar voren gebracht dat hij door zijn oorlogservaringen, maar ook door bijzondere vormen van straatgeweld, beschadigd is aan lichaam en geest. Hij heeft aangevoerd dat ook zijn fysieke klachten in verband staan met zijn oorlogservaringen en/of het straatgeweld.
3. De Raad overweegt als volgt.
3.1. Ten aanzien van het straatgeweld overweegt de Raad dat uit het sociaal rapport van 2 oktober 2006, opgemaakt door een rapporteur van de Stichting Pelita, valt af te leiden dat dit heeft plaatsgevonden na de soevereiniteitsoverdracht, in de jaren `50. Appellant is naar eigen zeggen toen mishandeld door Indonesische jongeren en heeft daarop besloten naar Nederland te vertrekken. Deze gebeurtenis valt buiten de in artikel 2, eerste lid, onder f, van de Wet aangegeven periode en kan dus niet worden aangemerkt als calamiteit in de zin van de Wet. De met dit straatgeweld verband houdende pijnklachten in de rechterenkel van appellant zijn dus terecht door verweerster buiten beschouwing gelaten.
3.2. Ten aanzien van de oogklachten, maag-darmbloedingen, jicht en nierinsufficiëntie, is naar het oordeel van de Raad in de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische rapporten voldoende onderbouwd dat deze niet in causaal verband staan met de oorlogservaringen van appellant.
3.3. De Raad heeft op grond van de voorhanden zijnde gegevens evenmin tot het oordeel kunnen komen dat de beperkingen van appellant als gevolg van zijn psychische klachten bij het bestreden besluit zijn onderschat. Op grond van een uitgebreid onderhoud met appellant bij hem thuis en recente informatie van de huisarts van appellant, heeft de geneeskundig adviseur vastgesteld dat appellant beperkingen heeft bij zijn dagelijkse activiteiten, het sociaal functioneren en de stressadaptatie, maar dat die beperkingen niet van dien aard zijn dat ze als invaliderend kunnen worden gekwalificeerd. Hetgeen appellant in beroep naar voren heeft gebracht werpt geen ander licht op die beperkingen.
4. Gezien het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
5. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2008.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) M. van Berlo.
HD
14.04