ECLI:NL:CRVB:2008:BD1314
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit verlaging WAO-uitkering wegens onvoldoende onderbouwing functiegeschiktheid
Appellant was sinds 1996 arbeidsongeschikt wegens psychische klachten en ontving een WAO-uitkering. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) herzag de uitkering in 2005 op basis van medische en arbeidskundige rapportages, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld tussen 25 en 35 procent. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat werd afgewezen.
In hoger beroep stelde appellant dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn lichamelijke en psychische klachten en dat de geschiktheid van de geselecteerde functies niet toereikend was onderbouwd. De Raad concludeerde dat de medische beoordeling zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanleiding was om de conclusies van de verzekeringsartsen te betwijfelen. Wel stelde de Raad vast dat door een programmatuurprobleem in het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) in de bezwaarfase onjuiste gegevens waren gebruikt voor de beoordeling van de functiebelasting.
De Raad oordeelde dat de toereikende onderbouwing van de geschiktheid van functies pas in hoger beroep was gegeven en vernietigde daarom het bestreden besluit. De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter in stand. Tevens veroordeelde de Raad het Uwv tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot verlaging van de WAO-uitkering wordt vernietigd, waarbij de rechtsgevolgen in stand blijven.