ECLI:NL:CRVB:2008:BD1202
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens vermeende gezamenlijke huishouding niet deugdelijk gemotiveerd
Appellante ontving bijstand sinds 1997 en vroeg in 2004 en 2005 bijstand aan voor bedrijfskapitaal op grond van het Bbz 2004, welke aanvragen door het College werden afgewezen wegens niet-levensvatbaarheid van de onderneming. Het College trok de bijstand in per 1 december 2004 vanwege vermoedelijke gezamenlijke huishouding met haar partner, wat zij niet had gemeld.
De rechtbank oordeelde dat de gezamenlijke huishouding voldoende was aangetoond, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat het College onvoldoende onderzoek had gedaan naar de feitelijke woonsituatie van de partner en dat de motivering van de intrekking niet deugdelijk was. Daarom werd de intrekking vernietigd en het besluit herroepen.
De Raad bevestigde echter de afwijzing van de aanvraag bedrijfskapitaal omdat de onderneming niet levensvatbaar was en appellante niet aannemelijk had gemaakt dat de situatie was gewijzigd. Het College werd veroordeeld in de proceskosten en de griffierechten werden aan appellante vergoed.
De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldig en volledig onderzoek bij het vaststellen van een gezamenlijke huishouding en de noodzaak van een deugdelijke motivering bij intrekking van bijstand.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, de afwijzing van de aanvraag bedrijfskapitaal blijft gehandhaafd.