ECLI:NL:CRVB:2008:BD0819
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Geen recht op ziekengeld wegens onvoldoende medische onderbouwing van arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig administratief medewerkster, viel uit wegens klachten na een auto-ongeval en bezocht een verzekeringsarts die haar vanaf 22 juli 2005 niet ongeschikt achtte voor haar werk. Het UWV beëindigde daarop haar ziekengeld, wat werd bevestigd na bezwaar. De rechtbank vernietigde dit besluit vanwege onvoldoende medische onderbouwing, met name omdat de bezwaarverzekeringsarts geen informatie had ingewonnen bij de bedrijfsarts die appellante na afloop van haar arbeidscontract nog had gezien.
Na een nieuw besluit van het UWV dat het bezwaar opnieuw ongegrond verklaarde, werd het hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep ingesteld. Appellante stelde dat cognitieve beperkingen, vastgesteld in een neuropsychologisch rapport, niet waren meegewogen. De Raad oordeelde echter dat deze cognitieve deficiënties onvoldoende medisch waren onderbouwd en niet ondersteund werden door medisch-specialistische rapporten.
De Raad concludeerde dat appellante op medische gronden niet ongeschikt was voor haar werk en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het nieuwe besluit van het UWV werd ongegrond verklaard, waarmee het recht op ziekengeld definitief werd ontzegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van het UWV wordt ongegrond verklaard, waardoor het recht op ziekengeld wordt beëindigd.