AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Geen toestemming voor verblijf in het buitenland met behoud van bijstandsuitkering en geen ontheffing arbeidsverplichtingen voor onbepaalde tijd
Appellant, bijstandsontvanger ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), verzocht het College van burgemeester en wethouders van Almere om met behoud van zijn uitkering in het buitenland te mogen wonen vanwege gezondheidsredenen. Het College wees dit verzoek af op grond van de WWB, waarna appellant bezwaar maakte en vervolgens in beroep ging bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde.
In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep stelde appellant dat zijn gezondheid een verblijf in een warm klimaat noodzakelijk maakte. De Raad overwoog dat het territorialiteitsbeginsel van de WWB uitsluit dat bijstand wordt verleend aan personen die zich metterwoon in het buitenland vestigen. Daarnaast is het College slechts bevoegd om tijdelijke ontheffing van arbeidsverplichtingen te verlenen, niet voor onbepaalde tijd.
De Raad concludeerde dat het College terecht het verzoek tot verblijf in het buitenland met behoud van bijstand heeft afgewezen en dat het besluit om geen ontheffing van arbeidsverplichtingen voor onbepaalde tijd te verlenen rechtmatig is. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering tot verblijf in het buitenland met behoud van bijstand en ontheffing arbeidsverplichtingen voor onbepaalde tijd wordt bevestigd.
Uitspraak
06/6682 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 17 oktober 2006, 06/775 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (hierna: College)
Datum uitspraak: 8 april 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2008. Appellant is in persoon verschenen. Het College heeft zich - met bericht - niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellant ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), berekend naar de norm voor een alleenstaande ouder, met een toeslag van 20%.
Op 25 juli 2005 heeft appellant het College verzocht om zich met behoud van zijn bijstandsuitkering in het buitenland te mogen vestigen. Hij heeft gesteld dat het voor zijn gezondheid noodzakelijk is om in een zonnig en warm klimaat te wonen. Deze opvatting wordt blijkens enkele bijgevoegde stukken gedeeld door de hem behandelende artsen.
Bij besluit van 7 oktober 2005 heeft het College het verzoek van appellant afgewezen onder verwijzing naar de artikelen 11 en 13 van de WWB.
Bij besluit van 27 juli 2005, voor zover van belang, heeft het College appellant meegedeeld dat hij voor onbepaalde tijd geheel ontheven is van de plicht tot arbeidsinschakeling.
Bij besluit van 14 oktober 2005 is het College teruggekomen van het besluit van 27 juli 2005 op de grond dat een ontheffing van de arbeidsverplichtingen voor onbepaalde tijd in het kader van de WWB niet mogelijk is. Met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de WWB is appellant tot 1 december 2006 ontheven van de arbeidsverplichting.
Bij besluit van 20 januari 2006 (lees: 20 februari 2006) zijn de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 7 oktober 2005 en 14 oktober 2005 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 20 februari 2006 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft in een zeer uitgebreide brief alsmede in een even uitvoerig betoog ter zitting van de Raad in hoofdzaak uiting gegeven aan zijn mening over de WWB en de in de gemeente Almere bij de Dienst Sociale Zaken werkzame ambtenaren.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt vast dat appellant ervan op de hoogte is dat het aan de WWB ten grondslag liggende territorialiteitsbeginsel uitsluit dat bijstand wordt verleend aan een Nederlander in het buitenland die zich metterwoon in het buitenland heeft gevestigd. In artikel 11, eerste lid, van de WWB is immers bepaald dat (slechts) iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege. Artikel 16, eerste lid, van de WWB biedt appellant geen soelaas omdat hij niet in een situatie verkeert dat hij geen recht heeft op bijstand.
Appellant is er voorts van op de hoogte dat ingevolge artikel 9, tweede lid, van de WWB het College, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, een bijstandsgerechtigde slechts tijdelijk ontheffing kan verlenen van de verplichtingen van artikel 9, eerste lid, van de WWB. Het College is niet bevoegd om appellant op grond van zijn gezondheidstoestand voor onbepaalde tijd ontheffing van die verplichtingen te verlenen. Bij heronderzoeken zal het College periodiek moeten bezien of, en in hoeverre, er aanleiding is om de tot arbeidsinschakeling strekkende verplichtingen (opnieuw) aan de bijstand te verbinden of om de voor een bepaalde periode verleende ontheffing van deze verplichtingen voor te zetten, in te trekken of te wijzigen.
Het hiervoor overwogene betekent dat het College terecht en op goede gronden heeft geweigerd om appellant toe te staan om zich met behoud van een bijstandsuitkering in het buitenland te vestigen alsmede om appellant voor onbepaalde tijd ontheffing te verlenen van de in artikel 9, eerste lid, van de WWB neergelegde verplichtingen en dat de rechtbank het beroep van appellant terecht ongegrond heeft verklaard.
De bezwaren van appellant richten zich in wezen tegen de (toepassing van de) WWB. De WWB is evenwel een wet in formele zin en artikel 11 vanPro de Wet Algemene bepalingen schrijft voor dat de rechter volgens de wet rechtspreekt en de innerlijke waarde of billijkheid van de wet niet mag beoordelen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 april 2008.