ECLI:NL:CRVB:2008:BD0028
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning en uitkering burger-oorlogsslachtoffer wegens ontbreken blijvende invaliditeit
Appellante, geboren in 1931 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg in maart 2006 erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en een WUBO-uitkering op grond van gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan haar oorlogservaringen tijdens de Bersiap-periode. Verweerster wees de aanvraag aanvankelijk af omdat niet was vastgesteld dat appellante was getroffen door oorlogsgeweld. Na bezwaar erkende verweerster wel dat appellante betrokken was bij oorlogsgeweld, maar oordeelde dat zij geen blijvende lichamelijke of psychische invaliditeit had.
Appellante betwistte dit oordeel en stelde dat het medisch onderzoek onvoldoende rekening hield met haar psychische beperkingen. De Raad toetste het besluit aan het medisch advies van artsen Nasheed-Linssen en Windels, waarin werd vastgesteld dat appellante wel enkele PTSS-kenmerken vertoont, maar dat deze geen beperkingen in het dagelijks functioneren veroorzaken en dus niet leiden tot blijvende invaliditeit. Lichamelijke klachten werden niet toegeschreven aan oorlogsgeweld.
De Raad vond het besluit deugdelijk gemotiveerd en zag geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van het medisch onderzoek. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend op grond van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van blijvende invaliditeit als gevolg van oorlogsgeweld.