ECLI:NL:CRVB:2008:BD0026
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en weigering WUBO-uitkering
Appellant, geboren in 1942 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg in juli 2006 erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en een WUBO-uitkering aan op grond van gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan oorlogservaringen tijdens de Japanse bezetting en de daaropvolgende Bersiap-periode.
De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat appellant daadwerkelijk was getroffen door oorlogsgeweld zoals bedoeld in de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Appellant bracht naar voren dat hij geïnterneerd was in het Tjidengkamp te Batavia en getuige was geweest van mishandelingen en moorden, en dat hij tijdens de Bersiap-periode gewond raakte bij aanvallen.
De Raad stelde vast dat deze verklaringen niet ondersteund werden door objectieve gegevens zoals documenten van het Rode Kruis of andere instanties. De wet vereist dat erkenning alleen kan worden toegekend indien directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld is vastgesteld. Omdat dit niet het geval was, bleef het bestreden besluit in stand en werd het beroep ongegrond verklaard.
De Raad wees ook een vergoeding van proceskosten af omdat geen bijzondere omstandigheden aanwezig waren die dit rechtvaardigden.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en de WUBO-uitkering blijft in stand.