ECLI:NL:CRVB:2008:BD0025
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Weigering WUV-uitkering wegens ontbreken vervolging tijdens Japanse bezetting
Appellant, geboren in 1937 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg een periodieke uitkering aan op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV). Hij stelde dat hij tijdens de Japanse bezetting geïnterneerd was in kamp Tjihapit te Bandoeng.
De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat niet was gebleken dat appellant vervolging had ondergaan zoals bedoeld in de Wet. De Raad voerde aan dat onder vervolging wordt verstaan vrijheidsberoving door opsluiting met beoogde beëindiging van het leven of permanente bewaking.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er geen objectieve gegevens waren die de internering van appellant bevestigen. Archiefonderzoek leverde geen bevestiging op, en verklaringen van familieleden wezen op bewegingsvrijheid buiten het kamp, wat niet strookt met permanente bewaking. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van bewijs van vervolging met vrijheidsberoving en permanente bewaking.