ECLI:NL:CRVB:2008:BD0022
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WUV-uitkering wegens ontbreken vervolging tijdens Japanse bezetting
Appellant, geboren in 1933 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg een periodieke uitkering aan op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV). Hij stelde dat hij tijdens de Japanse bezetting geïnterneerd was in kamp Tjihapit te Bandoeng.
Verweerster wees de aanvraag af omdat niet was gebleken dat appellant vervolging had ondergaan zoals bedoeld in de Wet. De Raad toetste of het besluit in stand kon blijven en concludeerde dat appellant geen vrijheidsberoving had ondergaan die voldoet aan de wettelijke definitie van vervolging.
De Raad baseerde zich op het ontbreken van objectieve gegevens in archieven, geen bevestiging van verblijf in het interneringskamp, en verklaringen waaruit bleek dat appellant en zijn familie bewegingsvrijheid hadden. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat niet is gebleken dat appellant vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.