ECLI:NL:CRVB:2008:BC9469
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid ondanks persoonlijkheidsstoornis
Appellant maakte bezwaar tegen de intrekking van zijn WAO-uitkering per 31 juli 2005, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid volgens het UWV minder dan 15% bedroeg. De rechtbank had het besluit van het UWV bevestigd, waarbij werd geoordeeld dat appellant ondanks zijn persoonlijkheidsstoornis voldoende belastbaar is voor passende functies en daardoor geen recht heeft op een WAO-uitkering.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn ontwijkende persoonlijkheidsstoornis hem ernstig beperkt in sociaal en persoonlijk functioneren, waardoor hij niet in staat zou zijn tot arbeid. Hij stelde dat een arbeidskundig onderzoek niet mogelijk was vanwege zijn medische toestand. De Raad heeft echter vastgesteld dat uit medisch onderzoek en rapportages, waaronder die van bezwaarverzekeringsarts Laros, blijkt dat appellant op micro- en mesoniveau adequaat functioneert en dat zijn beperkingen niet zodanig zijn dat hij geen passende werkzaamheden kan verrichten.
De Raad heeft ook de gezinssituatie onderzocht, waaruit bleek dat appellant de volledige verantwoordelijkheid draagt voor het huishouden en de verzorging van zijn zoon. De psychiater Jordan gaf in een brief aan dat er geen aanwijzingen zijn dat de medische situatie van appellant onderschat is. De Raad concludeert dat de intrekking van de WAO-uitkering terecht is en bevestigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.