ECLI:NL:CRVB:2008:BC9207
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Veroordeling UWV in proceskosten na intrekking hoger beroep zonder bijzondere omstandigheden
Het UWV stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Haarlem, maar trok dit hoger beroep later in. Verzoekster vorderde daarop dat het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten in hoger beroep, waarbij zij stelde dat bijzondere omstandigheden een afwijking van de forfaitaire tarieven rechtvaardigden.
De Raad voor de Rechtspraak overwoog dat artikel 21a van de Beroepswet en artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht de mogelijkheid bieden het bestuursorgaan te veroordelen in proceskosten bij intrekking van hoger beroep. Het Besluit proceskosten bestuursrecht biedt ruimte voor afwijking van forfaitaire tarieven bij bijzondere omstandigheden, maar de Raad oordeelde dat de door verzoekster aangevoerde proceshouding van het UWV geen bijzondere omstandigheid vormde.
De Raad wees het verzoek om volledige vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten af, maar veroordeelde het UWV wel tot betaling van een forfaitair bedrag van €322 voor verleende rechtsbijstand bij het indienen van het verweerschrift. Een veroordeling in kosten van de procedure over de toepassing van artikel 21a was niet aan de orde.
De uitspraak werd gedaan door R.C. Schoemaker en uitgesproken in aanwezigheid van griffier R.E. Lysen op 3 april 2008.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van €322 aan proceskosten na intrekking van het hoger beroep.