ECLI:NL:CRVB:2008:BC8400
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit verlaging WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidskundige onderbouwing
Appellant, voormalig kok, ontving een WAO-uitkering vanwege hart-, rug- en knieklachten en psychische problematiek. Het UWV herzag zijn uitkering in 2004 van 80-100% arbeidsongeschiktheid naar 35-45% op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek. Appellant maakte bezwaar tegen deze herziening, maar dit werd ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld en de arbeidskundige onderbouwing voldoende was toegelicht. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij door zijn klachten niet in staat was om de geduide functies te vervullen en dat de arbeidskundige onderbouwing onvoldoende was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de medische onderbouwing van het besluit zorgvuldig en deugdelijk is, maar dat de toelichting op de arbeidskundige grondslag onvoldoende is. Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit, verklaart het beroep gegrond, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat het UWV in hoger beroep aanvullende rapportages heeft ingediend die de arbeidskundige beoordeling ondersteunen.
De Raad veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. Een verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen omdat de rechtsgevolgen van het besluit blijven bestaan.
Uitkomst: Het besluit tot verlaging van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende arbeidskundige onderbouwing, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.