ECLI:NL:CRVB:2008:BC7461
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- C.W.J. Schoor
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering WAO-uitkering wegens vermeend zwart bovenloon onvoldoende onderbouwd
Appellant ontving sinds 1993 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar fraude bij de werkgever vast dat er mogelijk sprake was van zwart bovenloon, waarop het UWV de uitkering met terugwerkende kracht introk en terugvorderde. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten en stelde dat het bestaan van zwart bovenloon onvoldoende was aangetoond en dat de besluitvorming in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep toetste de feitelijke grondslag van de intrekking. De Raad stelde vast dat de door het UWV aangevoerde bewijzen, waaronder verklaringen van uitvoerders en overzichtslijsten, onvoldoende waren om met zekerheid te concluderen dat appellant daadwerkelijk zwart bovenloon ontving en een volwaardige arbeidsprestatie leverde.
De Raad benadrukte dat een intrekking met terugwerkende kracht een ingrijpende maatregel is die een afdoende feitelijke grondslag vereist. Gelet op de onduidelijkheid over de omvang van de arbeidsprestatie en de loonbetalingen, kon de intrekking niet in stand blijven. De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten en werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de WAO-uitkering met terugwerkende kracht wordt vernietigd wegens onvoldoende feitelijke grondslag.