ECLI:NL:CRVB:2008:BC7292

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3988 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 AwbArt. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging herzieningsbesluit WAO-uitkering wegens onvoldoende feitelijke grondslag

Betrokkene ontving een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Bij besluit van 15 juni 2004 werd deze herzien naar 15 tot 25%, waartegen bezwaar en beroep werden ingesteld. De rechtbank Leeuwarden vernietigde het bezwaarbesluit wegens onvoldoende motivering van de beperkingen op de Functionele-mogelijkhedenlijst (FML).

In hoger beroep constateert de Centrale Raad van Beroep dat het dossier dat de rechtbank ontving grotendeels medische stukken en de kritische FML ontbraken. Appellant heeft deze stukken in hoger beroep alsnog overgelegd. De Raad oordeelt dat het bestreden besluit geen toereikende feitelijke grondslag heeft en vernietigt het besluit op grond van strijd met de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad stelt vast dat het vervallen van functies zoals acquisiteur/telemarketeer geen invloed heeft op de mate van arbeidsongeschiktheid, omdat ten minste drie andere functies resteren. De arbeidskundige onderbouwing is in hoger beroep voldoende gemotiveerd, waarbij alle markeringen op de FML adequaat zijn toegelicht. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven derhalve in stand.

De Raad veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene en bepaalt dat appellant het griffierecht aan betrokkene vergoedt. De uitspraak is gedaan door rechter Ch. van Voorst en uitgesproken op 19 maart 2008.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens ontoereikende feitelijke grondslag, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

06/3988 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 23 juni 2006, 06/41 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene]
en
appellant.
Datum uitspraak: 19 maart 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2008.
Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J. Langius. Betrokkene is niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Betrokkene heeft voorheen een uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering ontvangen naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 15 juni 2004 is de uitkering herzien naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Het bezwaar van betrokkene is bij besluit op bezwaar van 4 november 2004 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 november 2005 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 november 2004 vernietigd, appellant veroordeeld in de proceskosten en bepaald dat appellant het griffierecht aan betrokkene vergoedt.
De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat niet gebleken is dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is of dat de belastbaarheid van betrokkene onjuist is vastgesteld. Het besluit van 4 november 2004 is – onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (onder meer LJN: AR4617) – vernietigd omdat is nagelaten te motiveren welke van de op de (kritische) Functionele-mogelijkhedenlijst (k)FML gestelde beperkingen in de functies voorkomen en of zich overschrijdingen van de belastbaarheid voordoen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 29 november 2005 (het bestreden besluit) is het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Het beroep tegen het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard. Daarbij is het bestreden besluit vernietigd, appellant veroordeeld in de proceskosten en bepaald dat appellant het griffierecht aan betrokkene vergoedt. In de aangevallen uitspraak is overwogen dat bij alle markeringen “G”
– evenals bij de markeringen “M” – voldoende moet worden gemotiveerd waarom op het gemarkeerde onderdeel geen overschrijding van de belastbaarheid plaatsvindt. Geconstateerd is dat is nagelaten alle markeringen “G” van een motivering te voorzien.
In hoger beroep heeft appellant zich – aanvankelijk – op het standpunt gesteld dat de werkwijze waarbij de arbeidsdeskundige in bepaalde gevallen zonder nadere motivering de markering “M” kan wijzigen in “G” de toets der kritiek kan doorstaan. Ter zitting van de Raad heeft appellant aangegeven dat – gelet op de uitspraken van de Raad van
12 oktober 2006 (onder meer LJN: AY9971) – dit standpunt is verlaten en gesteld dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand dienen te blijven nu nadere rapportages van bezwaararbeidsdeskundige zijn ingediend waarbij alle markeringen van een toelichting zijn voorzien.
De Raad heeft geconstateerd dat het door de rechtbank aan de Raad overgelegde dossier geen (k)FML bevat en dat voorts daaraan het grootste deel van de medische stukken ontbreekt. In hoger beroep heeft appellant de ontbrekende stukken overgelegd. De aangevallen uitspraak berust naar het oordeel van de Raad op een ontoereikende feitelijke grondslag en dient derhalve wegens strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd.
Ter zitting heeft gemachtigde van appellant aangegeven dat de functies van acquisiteur/telemarketeer (sbc-code 516180) komen te vervallen. De Raad constateert dat tenminste drie functies (sbc-codes) resteren en dat het vervallen van de functies van acquisiteur/telemarketeer geen gevolgen heeft voor de mate van arbeidsongeschiktheid.
De vraag of het bestreden besluit berust op een voldoende arbeidskundige grondslag beantwoordt de Raad bevestigend. In de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige van 29 juni 2006 en 18 januari 2007, alsmede die van de bezwaarverzekeringsarts van
18 januari 2008 – in samenhang bezien – zijn alle markeringen “M” en “G” van een voldoende motivering voorzien en is gemotiveerd dat van verborgen beperkingen geen sprake is. De Raad is – in het licht van de hiervoor vermelde uitspraken van de Raad alsmede die van 23 februari 2007 (LJN: AZ9153) en 1 februari 2008 (onder meer LJN: BC3237) – niet gebleken dat de functies de belastbaarheid van betrokkene overschrijden.
Nu een toereikende onderbouwing van de arbeidskundige grondslag evenwel eerst in hoger beroep heeft plaatsgevonden, zal de Raad – doende hetgeen de rechtbank heeft behoren te doen – het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 en Pro artikel 7:12, eerste lid, van de Awb en bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in beroep tot een bedrag groot
€ 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat appellant aan betrokkene het betaalde griffierecht van € 37,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2008.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) E.M. de Bree.