ECLI:NL:CRVB:2008:BC7146
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- C.W.J. Schoor
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van arbeidsongeschiktheid en geschiktheid voor geselecteerde functies bij WAO-uitkering
Appellante, voormalig boekhoudkundig medewerkster, werd aanvankelijk voor 80-100% arbeidsongeschikt verklaard en later bij bezwaar teruggebracht naar 15-25%. Na een toename van klachten in 2004 onderzocht een verzekeringsarts haar opnieuw en stelde zij geschikt voor zittend werk zonder tijdsdruk, met een verlies aan verdienvermogen van circa 30%. Het UWV herzag daarop haar WAO-uitkering naar 25-35% arbeidsongeschiktheid.
In bezwaar en beroep voerde appellante aan dat haar cardiale klachten ernstiger waren en dat de geselecteerde functies niet passend waren, mede vanwege repetitieve hand- en vingerbelasting. Diverse medische rapporten, waaronder van haar cardioloog, bevestigden haar beperkingen, maar het UWV en de Raad concludeerden dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) adequaat waren en dat de functies passend waren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische en arbeidskundige onderbouwing van het UWV juist was en dat de door appellante aangevoerde bezwaren onvoldoende waren om het besluit te vernietigen. De Raad vond geen aanleiding om de belastbaarheid anders in te schatten en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV-besluit tot herziening van de WAO-uitkering wordt bevestigd.