ECLI:NL:CRVB:2008:BC6870
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- C.W.J. Schoor
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na wachttijd
Appellante viel op 2 juli 1999 uit wegens zwangerschapsklachten en hield na de bevalling diverse lichamelijke en psychische klachten, waardoor zij haar werk niet hervatte. Het UWV weigerde aanvankelijk een WAO-uitkering omdat zij niet onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt zou zijn geweest. Na bezwaar en een eerdere procedure werd het besluit vernietigd wegens onvoldoende onderzoek, waarna het UWV alsnog informatie opvroeg en het bezwaar opnieuw ongegrond verklaarde.
De rechtbank stelde een psychiater aan die concludeerde dat appellante ongeschikt was voor haar functie vanaf de uitvaldatum en dat deze ongeschiktheid voortduurde. De rechtbank vernietigde het UWV-besluit omdat appellante na de wachttijd niet geschikt werd geacht voor haar eigen werk. Het UWV stelde daarop een nieuw belastbaarheidsprofiel op en selecteerde functies die appellante met haar beperkingen zou kunnen verrichten. Volgens het UWV leidde dit tot een verdiencapaciteitsverlies van minder dan 15%, waardoor geen WAO-uitkering werd toegekend.
De Raad vroeg de psychiater om zijn mening over de geschiktheid van appellante voor deze functies, maar diens antwoord was onvoldoende onderbouwd. De Raad achtte de psychiater zijn eerdere advies over de eigen functie van appellante wel betrouwbaar, maar ging aan het nieuwe advies voorbij. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en het UWV dat appellante geschikt is voor de geduide functies en dat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt, waardoor de WAO-uitkering terecht is geweigerd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na de wachttijd.