ECLI:NL:CRVB:2008:BC6816
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van recht op WAO-uitkering na vervroegd uittreden ondanks mindering op Tijdelijk Ouderdomspensioen
Appellant ontving sinds 1980 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100%. In 1985 werd de uitbetaling van deze uitkering beëindigd vanwege inkomsten uit arbeid in het kader van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW). Na vervroegd uittreden per 1 juli 2003 is de WAO-uitkering per 1 juli 2003 weer tot uitbetaling gekomen.
Appellant maakte bezwaar tegen deze hernieuwde uitbetaling omdat deze in mindering werd gebracht op zijn Tijdelijk Ouderdomspensioen en zijn pensioenopbouw negatief beïnvloedde. Hij stelde ook dat hij niet op de hoogte was van de doorlopende WAO-uitkering en dat hij nooit herkeurd was of een nieuwe uitkering had aangevraagd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het recht op WAO-uitkering bleef bestaan tijdens het dienstverband in WSW-verband en dat de hernieuwde uitbetaling terecht was. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst het hoger beroep af, waarbij geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WAO-uitkering na vervroegd uittreden terecht weer tot uitbetaling is gekomen en wijst het hoger beroep af.