ECLI:NL:CRVB:2008:BC5344
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens geschiktheid voor lichte functie ondanks ziekte van Bechterew
Appellant was sinds december 1997 wegens rugklachten arbeidsongeschikt en ontving tot medio 2000 een WAO-uitkering. Later werd hij geschikt geacht voor passende functies en verloor zijn uitkering. In november 2004 meldde hij zich ziek vanuit een WW-situatie. De verzekeringsarts stelde in mei 2005 vast dat appellant niet langer ongeschikt was voor de functie van verspener, waarna het ziekengeld werd stopgezet.
Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing, maar dit werd door het Uwv en de rechtbank ongegrond verklaard. De rechtbank hechtte vooral waarde aan de medische bevindingen van de verzekeringsartsen en concludeerde dat appellant onvoldoende medische stukken had overgelegd die de eerdere conclusies konden weerleggen.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel. Uit medische rapporten blijkt dat appellant een matig actieve ziekte van Bechterew heeft, maar geen objectief vastgestelde beperkingen die hem ongeschikt maken voor de lichte, zittende functie van verspener. De Raad acht het onderzoek van de verzekeringsarts zorgvuldig en ziet geen reden om het standpunt te wijzigen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld omdat appellant geschikt is voor de functie van verspener.