ECLI:NL:CRVB:2008:BC5334
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid tot arbeid
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin haar Ziektewetuitkering is beëindigd per 21 februari 2005, omdat zij niet langer wegens ziekte of gebrek ongeschikt wordt geacht voor het verrichten van haar arbeid als schoonmaakster.
De rechtbank Utrecht heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard, stellende dat het medisch oordeel van de bezwaarverzekeringarts een voldoende grondslag vormt voor het besluit. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij zich wegens gewrichtspijnen heeft ziekgemeld, de diagnose fibromyalgie is gesteld en haar huisarts haar niet in staat acht haar werk te verrichten, maar deze nieuwe stellingen zijn niet onderbouwd met medische gegevens en bieden geen aanleiding tot een ander oordeel.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank en verklaart het beroep van appellante ongegrond. Er is geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitkering blijft derhalve beëindigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op een Ziektewetuitkering omdat zij niet langer wegens ziekte ongeschikt is voor haar arbeid.