ECLI:NL:CRVB:2008:BC5027

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-1562 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag uitkering burger-oorlogsslachtoffers wegens onvoldoende bewijs oorlogsgeweld

Appellante, geboren in 1928 in voormalig Nederlands-Indië, vroeg een uitkering aan op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 vanwege haar ervaringen tijdens de Japanse bezetting en de Bersiapperiode, waaronder een bombardement in Soerabaja en moordpartijen in 1945. Verweerster wees de aanvraag af omdat onvoldoende bewijs bestond dat appellante daadwerkelijk door oorlogsgeweld was getroffen.

De Raad onderzocht het aangevoerde bombardement en constateerde dat het bekende bombardement op 3 februari 1942 plaatsvond, maar niet het door appellante genoemde bombardement op een bioscoop. Ook was geen bevestiging van haar directe betrokkenheid bij de moordpartijen tijdens de Bersiapperiode gevonden, mede omdat getuigen waren overleden.

Omdat niet vaststond dat appellante onder de in artikel 2 van Pro de Wet omschreven oorlogsgeweldsituaties viel, was medisch onderzoek naar haar klachten niet noodzakelijk. De Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard omdat niet is vastgesteld dat zij door oorlogsgeweld is getroffen.

Uitspraak

07/1562 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 14 februari 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 8 februari 2007, kenmerk JZ/T60/2007, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2008. Aldaar is appellante in persoon verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Appellante, die is geboren in 1928 in het voormalige Nederlans-Indië, heeft in mei 2006 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van onder meer een periodieke uitkering ingevolge de Wet. In dat verband heeft appellante gewezen op haar ervaringen tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië en de daarop volgende Bersiapperiode, en in het bijzonder op het meemaken van een bombardement op Soerabaja in februari 1942 en op de moordpartijen die in Soerabaja hebben plaats gevonden in november 1945. Aan deze gebeurtenissen schrijft appellante haar longemfyseem en fibromyalgie toe.
Verweerster heeft de aanvraag van appellante afgewezen bij besluit van 9 november 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, omdat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk geworden dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet.
De Raad heeft in dit geding, gelet op hetgeen appellante in beroep naar voren heeft gebracht, de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Hij overweegt daartoe als volgt.
Appellante heeft aangegeven dat zij in februari 1942 samen met haar vriendin [naam vriendin] aan het winkelen was in het warenhuis Aurora, toen een bioscoop in de buurt van dat gebouw bij een bombardement werd getroffen. Verweerster heeft naar dit bombardement onderzoek verricht en daarbij is naar voren gekomen dat op 3 februari 1942 ’s morgens om 10 uur de haven en het vliegveld van Soerabaja werden gebombardeerd. Door afzwaaiers werden ook gebouwen in de stad getroffen. Deze gebouwen, een zwembad, een restaurant en omliggende woonhuizen, lagen in de directe omgeving van de Kaliasin. In de aan verweerster bekende gegevens is geen sprake van de door appellante genoemde bioscoop. Ook anderszins is geen bevestiging verkregen van het door appellante genoemde bombardement en van haar eventuele betrokkenheid daarbij.
Met betrekking tot de door appellante aan haar aanvraag ten grondslag gelegde moordpartijen tijdens de Bersiapperiode overweegt de Raad het volgende. Uit historische gegevens is bekend dat het tijdens het machtsvacuüm na de capitulatie van Japan in Soerabaja zeer onrustig is geweest en dat er veel is gemoord. Getuigen die kunnen bevestigen dat appellante bij die gebeurtenissen direct betrokken is geweest, zijn, naar zij zelf heeft aangegeven, allen overleden en in de aan verweerster ter beschikking staande bronnen is geen bevestiging verkregen van een directe betrokkenheid van appellante.
Nu niet is komen vast te staan dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet, heeft verweerster op goede gronden medisch onderzoek naar de door appellante genoemde klachten en naar een mogelijk verband van deze klachten met haar oorlogservaringen achterwege gelaten. De wetgever heeft immers slechts diegenen onder de werking van de Wet willen brengen, die strikt omschreven en in artikel 2 van Pro de Wet neergelegde bijzondere oorlogsgebeurtenissen hebben ervaren, zodat het in de rede ligt slechts die mensen aan verdergaand (belastend) medisch onderzoek te onderwerpen, waarvan is komen vast te staan dat zij zijn getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet. Naar uit het vorenstaande blijkt, is dat in het geval van appellante niet komen vast te staan.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2008.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) M.J.H. van Baalen.
HD
14.01