ECLI:NL:CRVB:2008:BC5025
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek herziening erkenning burger-oorlogsslachtoffer Wet 1940-1945
Appellant diende in februari 2001 een aanvraag in om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, gebaseerd op gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan gebeurtenissen tijdens de Bersiap-periode in voormalig Nederlands-Indië.
De oorspronkelijke aanvraag werd in 2002 afgewezen omdat niet was komen vast te staan dat appellant getroffen was door oorlogsgeweld in de zin van de Wet. Appellant stelde vervolgens in juni 2006 een verzoek tot herziening in, dat eveneens werd afgewezen omdat hij geen nieuwe feiten of gegevens had aangevoerd die aanleiding zouden geven tot herziening van het eerdere besluit.
De Raad oordeelt dat de verklaringen van derden slechts bevestigen dat appellant en een ander gezin in dezelfde kampong woonden, maar geen bevestiging geven van de door appellant genoemde oorlogsgebeurtenissen. Bovendien zijn de door appellant genoemde gedragingen niet te kwalificeren als gebeurtenissen in de zin van de Wet.
Appellant bracht in beroep voor het eerst een verblijf in Randoesari ter sprake, maar dit is te laat ingebracht en wordt niet bevestigd door de gegevens. De Raad verklaart het beroep ongegrond en wijst een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van nieuwe feiten die herziening rechtvaardigen.