ECLI:NL:CRVB:2008:BC5025

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2119 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61 lid 3 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek herziening erkenning burger-oorlogsslachtoffer Wet 1940-1945

Appellant diende in februari 2001 een aanvraag in om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, gebaseerd op gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan gebeurtenissen tijdens de Bersiap-periode in voormalig Nederlands-Indië.

De oorspronkelijke aanvraag werd in 2002 afgewezen omdat niet was komen vast te staan dat appellant getroffen was door oorlogsgeweld in de zin van de Wet. Appellant stelde vervolgens in juni 2006 een verzoek tot herziening in, dat eveneens werd afgewezen omdat hij geen nieuwe feiten of gegevens had aangevoerd die aanleiding zouden geven tot herziening van het eerdere besluit.

De Raad oordeelt dat de verklaringen van derden slechts bevestigen dat appellant en een ander gezin in dezelfde kampong woonden, maar geen bevestiging geven van de door appellant genoemde oorlogsgebeurtenissen. Bovendien zijn de door appellant genoemde gedragingen niet te kwalificeren als gebeurtenissen in de zin van de Wet.

Appellant bracht in beroep voor het eerst een verblijf in Randoesari ter sprake, maar dit is te laat ingebracht en wordt niet bevestigd door de gegevens. De Raad verklaart het beroep ongegrond en wijst een vergoeding van proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van nieuwe feiten die herziening rechtvaardigen.

Uitspraak

07/2119 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 14 februari 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 27 februari 2007, kenmerk JZ/Y60/2007, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2008. Daar is appellant in persoon verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens de gedingstukken heeft appellant, geboren in 1939 in het voormalige Nederlands-Indië, bij verweerster in februari 2001 een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering. Appellant heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan gebeurtenissen in het voor-malige Nederlands-Indië tijdens de, zogenoemde, Bersiap-periode, te weten:
- het meemaken een bombardement op Semarang;
- het hebben verbleven in een beschermingskamp en in kamp Tjilatjap;
- de evacuatie naar Batavia.
Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 24 januari 2002, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het besluit van 3 juni 2002, op de grond
- kort gezegd - dat niet is komen vast te staan dat appellant getroffen is door oorlogs-geweld in de zin van de Wet. Tegen het besluit van 3 juni 2002 heeft appellant geen beroep ingesteld.
In juni 2006 heeft appellant zich wederom tot verweerster gewend met het verzoek te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en om toekenning van, onder meer, een periodieke uitkering.
Dat verzoek heeft verweerster afgewezen bij besluit van 23 oktober 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op gronden ontleend aan artikel 61, derde lid, van de Wet. Hiertoe heeft verweerster overwogen dat appellant bij het herzieningsverzoek noch tijdens de bezwaarprocedure relevante nieuwe gegevens of feiten heeft vermeld die, als zij destijds bekend zouden zijn geweest, tot een andere beslissing zouden hebben geleid.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
De hiervoor genoemde aanvraag van juni 2006 draagt, naar verweerster terecht heeft vastgesteld, het karakter van een verzoek om herziening van de door verweerster eerder genomen, hiervoor genoemde besluiten aangaande de aanvraag van juni 2001.
Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien.
Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dat brengt met zich dat de Raad het besluit slechts terughoudend kan toetsen.
Bij een verzoek om herziening als waarvan hier sprake is, staat centraal de vraag of appellant bij zijn verzoek dan wel in bezwaar nieuwe feiten of gegevens heeft aangevoerd die aan verweerster bij de besluitvorming ten behoeve van de eerdere aanvraag niet bekend waren en waarin verweerster aanleiding had moeten vinden de toen genomen besluiten te herzien.
Van dergelijke gegevens is de Raad, evenals verweerster, niet gebleken. Weliswaar zijn verklaringen verkregen van enkele leden van het gezin [naam gezin 1], maar uit deze verklaringen blijkt enkel dat de gezinnen [naam gezin 1] en [naam gezin van appellant] in de kampong Gledong woonachtig waren; een bevestiging van de door appellant genoemde oorlogsgebeurtenissen is evenwel niet verkregen. Voorts heeft appellant in bezwaar tegen het besluit op het herzieningsverzoek aangegeven dat hij klappen kreeg als hij de Japanse vlag niet groette en dat zijn moeder in ruil voor onderdak diensten heeft moeten verrichten. Daargelaten dat van deze gebeurtenissen geen bevestiging is verkregen, is de Raad met verweerster van oordeel dat er geen sprake is van gebeurtenissen in de zin van de Wet. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat, onder de geschetste omstandigheden, de door appellant genoemde klappen niet hebben plaatsgevonden in het kader van taken die een persoon van de bezettende macht in verband met oorlogsvoering/bezetting uitoefende. Voorts kunnen de door appellants moeder verrichte diensten niet gelden als een tegen appellant gerichte handeling of maatregel.
In beroep heeft appellant voor het eerst melding maakt van een verblijf in Randoesari. De Raad merkt in dit verband op dat dit te laat naar voren is gebracht omdat bij een verzoek om herziening ten laatste in de bezwaarprocedure bij verweerster nieuwe gegevens kunnen worden ingediend, en dat overigens van deze gebeurtenis in de aanwezige gegevens geen bevestiging wordt verkregen.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit de hier aan de orde zijnde terughoudende toetsing van de Raad kan doorstaan en het beroep van appellant ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2008.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) M.J.H. van Baalen.
HD
14.01