ECLI:NL:CRVB:2008:BC5019

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2615 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijzondere voorzieningen voor kosten verzorging kind vervolgde

Appellante, gelijkgesteld met een vervolgde op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, verzocht om bijzondere voorzieningen voor kosten van gezinshulp en babysit ter verzorging van haar in 2004 geboren zoon. Deze kosten werden gemaakt omdat appellante ernstige psychische klachten heeft die verband houden met de vervolging van haar vader, waardoor de opvoeding en verzorging van haar zoon aan haar vader als voogd is toevertrouwd.

De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat de kosten niet door appellante zelf worden gemaakt maar door haar vader. In beroep stelde appellante dat de kosten wel degelijk verband houden met haar situatie en dat zij zelf niet in staat is de kosten te dragen, waardoor vergoeding gerechtvaardigd zou zijn.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat op grond van artikel 20 van Pro de Wet alleen kosten die ten laste van de vervolgde blijven in aanmerking komen voor vergoeding. Omdat de kosten volledig door de vader worden gedragen, zijn het geen kosten ten laste van de vervolgde. De Raad ziet geen grond om van deze wettelijke regeling af te wijken en verklaart het beroep ongegrond. Tevens worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor bijzondere voorzieningen wordt afgewezen.

Uitspraak

07/2615 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], Israël, (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 14 februari 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 8 februari 2007, kenmerk JZ/R70/2007, ten aanzien van appellante genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2008. Daar is namens appellante verschenen mr. drs. C. Lamphen, advocaat te Utrecht, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. drs. K.J. van den Oever, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van het gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Blijkens de gedingstukken is appellante, geboren in 1968, met toepassing van artikel 3, tweede lid (oud), van de Wet gelijkgesteld met de vervolgde en als zodanig in aanmerking gebracht voor - onder meer - een periodieke uitkering. Daarbij is aanvaard dat de bij appellante aanwezige psychische klachten in overwegende mate in verband staan met de vervolging van haar vader.
2. In november 2005 en april 2006 zijn namens appellante bij verweerster vervolgaanvragen ingediend - voor zover hier van belang - om toekenning van bijzondere voorzieningen ter zake van de kosten van gezinshulp (voor 17 uur per week) en babysit (voor 15 uur per week) welke kosten verband houden met verzorging en opvang van de in november 2004 geboren zoon van appellante. In dat verband is aangegeven dat, als gevolg van de bij appellante aanwezige ernstige causale psychische klachten, de opvoeding en verzorging van haar zoon aan de vader van appellante als (tijdelijke) voogd is toevertrouwd.
2.1. Deze aanvragen heeft verweerster afgewezen bij besluit van 5 juli 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, onder overweging dat het hier gaat om kosten welke niet door appellante zelf worden gemaakt.
2.2. In beroep is aangevoerd - samengevat - dat de opvoeding en verzorging van de zoon van appellante is toevertrouwd aan de vader van appellante omdat appellante zelf niet in staat is voor haar kind te zorgen en men wilde voorkomen dat het kind in een internaat zou worden geplaatst. De met de verzorging en opvang van appellantes zoon verband houdende kosten worden volledig gedragen door de vader van appellante, aangezien de gecompliceerde gezinsverhoudingen met zich brengen dat aan appellante geen vergoeding van deze kosten kan worden gevraagd, daargelaten of appellante een dergelijke vergoeding wel zou kunnen bekostigen.
3. Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen partijen in beroep hebben aangevoerd, in rechte kan standhouden. De Raad overweegt daartoe als volgt.
3.1. Op grond van artikel 20 van Pro de Wet komen voor vergoeding in aanmerking de ten laste van de vervolgde blijvende, vanwege met de vervolging verband houdende ziekten of gebreken noodzakelijke, kosten van geneeskundige behandeling en verpleging en de daarmee direct verbonden extra kosten van noodzakelijke voorzieningen.
3.2. Uit de gedingstukken alsmede het verhandelde ter zitting komt onbetwist naar voren dat de kosten in verband met de verzorging en opvang van het zoontje van appellante volledig ten laste van de vader van appellante komen. Dit betekent dat met betrekking tot onderhavige aanvragen geen sprake is van ten laste van de vervolgde komende kosten als bedoeld artikel 20 van Pro de Wet en dat verweerster de hier aan de orde zijnde aanvragen terecht heeft afgewezen.
3.3. Voorts overweegt de Raad dat, anders dan namens appellante is bepleit, de Wet geen ruimte biedt om onder de geschetste, bijzondere omstandigheden af te wijken van het bepaalde in artikel 20 van Pro de Wet.
4. Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.
5. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2008.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) M.J.H. van Baalen.
HD
11.02.