ECLI:NL:CRVB:2008:BC5014
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag uitkering vervolgingsslachtoffer wegens ontbreken van vervolging en verband met overlijden vader
Appellante, geboren in 1927 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht om een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 vanwege haar ervaringen tijdens de Japanse bezetting en het overlijden van haar vader in krijgsgevangenschap. Verweerster wees de aanvraag af omdat niet kon worden vastgesteld dat appellante zelf vervolging had ondergaan en zij niet voldeed aan de eis van ziekten of gebreken die redelijkerwijs verband houden met het overlijden van haar vader.
Appellante verscheen niet op de zitting en haar beroep werd behandeld op basis van het dossier. De Raad concludeerde dat appellante niet door de Japanners was geïnterneerd en dat de door haar genoemde arrestatie en mishandeling van haar en haar moeder niet konden worden bevestigd. Daarom werd dit niet meegewogen. De Raad oordeelde dat verweerster terecht een ruime beleidsvrijheid heeft bij het al dan niet gelijkstellen van personen aan vervolgden.
Medisch onderzoek toonde lichte psychische klachten bij appellante, maar geen duidelijke relatie met het overlijden van haar vader. De ellendige privésituatie na arrestatie van haar vader viel buiten de werking van de Wet. De Raad vond geen reden om het besluit van verweerster te vernietigen en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van haar aanvraag wordt gehandhaafd.