Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4968

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1669 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43a WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens geen toename arbeidsongeschiktheid

Appellant is sinds 1991 arbeidsongeschikt met rechter polsklachten en ontving vanaf 1992 een WAO-uitkering van 80 tot 100%. Deze uitkering werd in 1993 ingetrokken. In 2004 verzocht appellant om herbeoordeling wegens vermeende toename van maag-, darm- en psychische klachten met ingang van 27 december 1996.

Het UWV weigerde de uitkering toe te kennen op grond van artikel 43a WAO omdat geen toename van arbeidsongeschiktheid was vastgesteld. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit standpunt na onderzoek van verzekeringsartsen die geen aanwijzingen vonden voor toegenomen beperkingen.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en ziet geen reden om het bestreden besluit te vernietigen. Het hoger beroep wordt verworpen en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot weigering van de WAO-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

06/1669 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 februari 2006, 05/3290 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 22 februari 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B.M. Voogt, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2008, waar namens appellant zijn gemachtigde is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de aangevallen uitspraak heeft weergegeven.
Appellant is op 28 juni 1991 uitgevallen met rechter polsklachten. Bij het einde van de wachttijd, per 30 juni 1992, is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar de klasse 80 tot 100%. Bij besluit van 24 augustus 1993 is die uitkering met ingang van 5 oktober 1993 ingetrokken.
Bij brief van 1 september 2004 heeft appellant het Uwv verzocht in aanmerking te worden gebracht van een arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met toegenomen maag- en darmklachten, alsmede psychische klachten. Op een door hem op 18 oktober 2004 ondertekend vragenformulier heeft appellant aangegeven dat de toename van arbeidsongeschiktheid is ingetreden op 27 december 1996.
Bij besluit van 28 januari 2005 heeft het Uwv met toepassing van artikel 43a van de WAO geweigerd appellant de verzochte uitkering toe te kennen, primair op de grond dat de arbeidsongeschiktheid van appellant na 27 december 1996 niet is toegenomen. Bij besluit van 19 juli 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen aangetekende bezwaar ongegrond verklaard.
In dit geding moet beoordeeld worden of het Uwv terecht heeft aangenomen dat geen sprake is van toename van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 43a van de WAO.
De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, geoordeeld dat er op grond van de door (bezwaar)verzekeringsartsen verrichte onderzoeken en door hen opgestelde rapportages geen aanleiding is te twijfelen aan het standpunt van het Uwv dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen ten opzichte van de voor appellant door de verzekeringsarts in 1993 vastgestelde beperkingen.
De Raad kan zich volledig vinden in het oordeel van de rechtbank.
In hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat de rechtbank ten onrechte het bestreden besluit in stand heeft gelaten. In dit verband merkt de Raad op dat het Uwv bij zijn beoordeling van het verzoek van appellant op goede gronden is uitgegaan van de datum, 27 december 1996, gelet op het door appellant ingevulde vragenformulier van 18 oktober 2004.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2008.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
JL