ECLI:NL:CRVB:2008:BC4070

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-628 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.5 Wsf 2000Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit omzetting studiefinanciering wegens onjuiste woonadresregistratie

Appellante kreeg studiefinanciering toegekend op basis van de norm voor uitwonende studenten. De IB-Groep constateerde een verschil tussen het door appellante opgegeven woonadres en het adres in de gemeentelijke basisadministratie (GBA). Hierdoor werd de studiefinanciering per september 2005 omgezet naar de thuiswonende norm. Appellante stelde dat zij het adres binnen de gestelde termijn had gecorrigeerd via een telefoongesprek, maar dit werd niet erkend.

Uit het dossier bleek dat appellante haar postadres wilde wijzigen, maar door een administratieve fout werd dit verwerkt als wijziging van het woonadres. Hierdoor ontstond de vermeende afwijking met het GBA-adres. De Raad concludeerde dat er feitelijk geen afwijking was tussen het woonadres van appellante en het GBA-adres, zodat de omzetting van studiefinanciering onterecht was.

De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en de eerdere besluiten van de IB-Groep, en bepaalde dat het verschil in studiefinanciering alsnog aan appellante moet worden uitbetaald. Tevens werd de IB-Groep veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.

Uitkomst: Het besluit tot omzetting van studiefinanciering wordt vernietigd en het verschil wordt alsnog uitbetaald.

Uitspraak

07/628 WSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 december 2006, kenmerk 06/1236 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep)
Datum uitspraak: 8 februari 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2007. Appellante is in persoon verschenen. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. drs. E.H.A. van den Berg.
II. OVERWEGINGEN
Met ingang van 1 augustus 2002 heeft de IB-Groep aan appellante in verband met haar 4-jarige middenkaderopleiding aan het Regionaal Opleidingscentrum Amsterdam studiefinanciering ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) naar de norm van een uitwonende toegekend.
Bij schrijven van 14 oktober 2005 heeft de IB-Groep aan appellante meegedeeld dat na controle is geconstateerd dat het woonadres dat zij aan de IB-Groep heeft doorgegeven ([adres]) in de maand september 2005 afwijkt van het adres waarop zij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) staat ingeschreven ([adres 2]). Appellante is in die brief gewaarschuwd dat indien zij deze afwijking niet binnen vier weken ongedaan maakt, de haar toegekende studiefinanciering naar de norm van een uitwonende studerende met ingang van september 2005 wordt omgezet in studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende studerende.
Vervolgens heeft de IB-Groep bij besluiten van 17 december 2005 de aan appellante toegekende studiefinanciering met ingang van september 2005 omgezet in studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende studerende.
Bij besluit van 6 maart 2006 (het bestreden besluit) heeft de IB-Groep het bezwaar van appellante tegen de besluiten van
17 december 2005 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep dat appellante tegen het bestreden besluit had ingesteld ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat naar haar oordeel hier niet de situatie aan de orde is dat aan appellante geen verwijt kan worden gemaakt van de afwijking tussen het aan de IB-Groep opgegeven woonadres en het GBA-adres, nu er geen aanwijsbare belemmering bestond om die afwijking op te heffen en appellante dat ook na de brief van 14 oktober 2005 niet binnen vier weken heeft gedaan.
Appellante stelt dat zij de afwijking tussen haar GBA-adres en het bij de IB-Groep geregistreerde woonadres wel binnen vier weken ongedaan heeft gemaakt, namelijk in een telefoongesprek met de IB-Groep op 2 november 2005 om 11.34 uur. Ten bewijze daarvan heeft zij een kopie van een specificatie van de telefoonrekening van haar moeder overgelegd.
De Raad overweegt het volgende.
Uit het dossier kan de volgende feitelijke gang van zaken worden afgeleid.
Appellante woonde op het adres [adres 2]. Zij had dat adres als woonadres aan de IB-Groep doorgegeven. Zij stond ook op dat adres ingeschreven bij de GBA. Als postadres had zij aan de IB-Groep opgegeven [adres], het adres van haar moeder. Omdat dit postadres binnen afzienbare tijd niet meer bruikbaar zou zijn in verband met de voorgenomen sloop van de flat [naam flat], heeft appellante op 15 augustus 2005 (gedingstuk 3) gebeld met een medewerker van de IB-Groep met de mededeling dat zij haar post voortaan op haar huisadres wil ontvangen. In de van dit telefoongesprek gemaakte notitie is kernachtig genoteerd: postadres = woonadres. Bij de verwerking van deze mutatie is echter niet het postadres gewijzigd, maar het woonadres. Als woonadres is ingevoerd: [adres 2]. Aldus ontstond de afwijking tussen het GBA-adres en het bij de IB-Groep geregistreerde woonadres.
In artikel 1.5 van de Wsf 2000 zijn regels gesteld voor het geval dat bij controle door de IB-Groep blijkt dat het door de studerende verstrekte adres afwijkt van het adres waarop de studerende in de GBA staat ingeschreven.
Uit de hierboven omschreven feitelijke gang van zaken blijkt dat appellante in het telefoongesprek van 15 augustus 2005 geen wijzing van haar woonadres maar van haar postadres heeft doorgegeven. Het laatstelijk door haar verstrekte woonadres was en bleef het adres [adres 1]. Dat adres stemde overeen met het GBA-adres. Nu geen sprake is van een afwijking tussen het door appellante verstrekte adres en het GBA-adres, was toepassing van artikel 1.5 van de Wsf 2000 niet aan de orde.
Het vorenstaande leidt tot vernietiging van de aangevallen uitspraak en van het bestreden besluit. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door de besluiten van 17 december 2005 te herroepen. De IB-Groep zal bijgevolg over de desbetreffende maanden alsnog het verschil tussen de thuiswonendenbeurs en de uitwonendenbeurs dienen uit te betalen.
De Raad acht termen aanwezig om de IB-Groep met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten worden met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 15,20 aan reiskosten voor het bijwonen van de zitting van de rechtbank en de zitting van de Raad.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Herroept de besluiten van 17 december 2005;
Veroordeelt de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 15,20, aan haar te betalen door de Informatie Beheer Groep;
Bepaalt dat de Informatie Beheer Groep het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,- in totaal aan haar vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2008.
(get.) J.Janssen.
(get.) M.H.A Uri.
HS