ECLI:NL:CRVB:2008:BC3867

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2102 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 6:11 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens termijnoverschrijding bij aanvraag uitkering vervolgingsslachtoffer

Appellant had een aanvraag gedaan voor een periodieke uitkering als vervolgingsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. De aanvraag werd door verweerster afgewezen. Appellant maakte bezwaar, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn van dertien weken.

Appellant voerde aan dat de overschrijding veroorzaakt werd door ernstige persoonlijke omstandigheden, namelijk de ziekte en het overlijden van zijn dochter. De Raad heeft overwogen dat hoewel deze omstandigheden ingrijpend zijn, niet is gebleken dat appellant gedurende de gehele termijn niet in staat was om, eventueel met hulp van derden, het bezwaar tijdig in te dienen.

De Raad concludeert dat de termijnoverschrijding niet kan worden verontschuldigd op grond van artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het bestreden besluit kan daarom in stand blijven en het beroep wordt ongegrond verklaard. Tevens wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn zonder geldige verontschuldiging.

Uitspraak

07/2102 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant],
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 24 januari 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 1 februari 2007, kenmerk JZ/P90/2007, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2007. Daar is appellant niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 15 juni 2006, door de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden te Jakarta aan appellant verzonden op 4 juli 2007, heeft verweerster afwijzend beslist op een door appellant in november 2005 gedane aanvraag om toekenning van een periodieke uitkering als vervolgde in de zin van de Wet.
Tegen dat besluit heeft appellant bezwaar gemaakt bij schrijven 5 oktober 2006, dat blijkens de gedingstukken op 10 oktober 2006 bij voormelde ambassade is ingekomen.
Bij het bestreden besluit heeft verweerster appellant in zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de op grond van artikel 42, eerste lid, van de Wet in dit geval geldende termijn van dertien weken. In dat verband is overwogen dat de door appellant met betrekking tot de overschrijding aangevoerde omstandigheden de termijn-overschrijding niet kunnen verontschuldigen, zodat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest in de zin van artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen partijen in beroep hebben aangevoerd, in rechte kan standhouden. De Raad overweegt als volgt.
Gezien de hierboven weergegeven feiten staat vast - en wordt ook niet betwist - dat appellant de in dit geval geldende bezwaartermijn van dertien weken heeft overschreden.
Ter verklaring van de termijnoverschrijding heeft appellant zowel in bezwaar als in beroep aangegeven dat hij vanwege een ernstig zieke dochter en het daarop overlijden van deze dochter niet in de gelegenheid is geweest het bezwaarschrift in te dienen.
Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster in hetgeen appellant heeft aangevoerd terecht geen grond gezien om de niet-ontvankelijkverklaring met toepassing van het bepaalde in artikel 6:11 van Pro de Awb achterwege te laten. Hiertoe overweegt de Raad dat, hoe ingrijpend de door appellant genoemde persoonlijke omstandigheden ook zijn, niet is gebleken dat appellant gedurende de gehele periode waarin bezwaar kon worden aangetekend, buiten staat was om - zonodig met behulp van derden - zorg te dragen voor tijdige indiening van een bezwaarschrift.
Het voorgaande brengt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden en het beroep van appellant ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2008.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) J.P. Schieveen.
HD