ECLI:NL:CRVB:2008:BC3758
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde voortzetting WAO-uitkering ondanks betwisting toegenomen beperkingen
Appellant, arbeidsongeschikt sinds 1990 wegens psychische klachten, ontving een WAO-uitkering berekend op 15-25% arbeidsongeschiktheid. Na melding van vermeende toename van beperkingen in 2002, onderzocht een verzekeringsarts in 2003 appellant en constateerde geen toename. Het UWV besloot daarop de uitkering ongewijzigd voort te zetten, wat door appellant werd bestreden.
De rechtbank vernietigde het besluit in 2004 wegens ontoereikende medische onderbouwing, waarna het UWV een nieuw besluit nam dat het bezwaar opnieuw ongegrond verklaarde. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het UWV onvoldoende informatie had opgevraagd en geen rekening hield met zijn medicijnverslaving.
De Raad oordeelde dat het UWV na herhaald medisch onderzoek, inclusief informatie van huisartsen en specialisten, terecht concludeerde dat geen toegenomen arbeidsongeschiktheid bestond. De rapporten van psycholoog en psychiater waarop appellant zich beroept, werden onvoldoende onderbouwd geacht. Ook de medicijnverslaving was bekend bij eerdere beoordelingen en werd adequaat meegewogen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WAO-uitkering ongewijzigd wordt voortgezet wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid.