ECLI:NL:CRVB:2008:BC3405
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- G.J.H. Doornewaard
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding in WAO-uitkeringszaak
Appellante stelde hoger beroep in tegen het besluit van het UWV tot intrekking van haar WAO-uitkering en vorderde daarnaast vergoeding van proceskosten en immateriële schade. De rechtbank had het bezwaar van appellante tegen het intrekkingsbesluit uiteindelijk gegrond verklaard, waardoor haar WAO-uitkering werd voortgezet met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% vanaf 14 mei 2003.
De rechtbank wees echter de gevorderde vergoeding van psychische schade af, omdat niet aannemelijk was gemaakt dat appellante door het besluit geestelijk letsel had geleden. Ook de gevorderde proceskostenvergoeding werd afgewezen, onder meer omdat de bijstand door haar broer, een arts, niet als beroepsmatige rechtsbijstand werd aangemerkt en er geen wettelijke verplichting tot tussenkomst van een arts-gemachtigde bestond.
In hoger beroep handhaafde appellante haar vorderingen, onder meer met het verzoek om sancties tegen het UWV wegens het niet naleven van termijnen en richtlijnen. De Raad oordeelde dat hiervoor geen wettelijke grondslag bestaat en bevestigde dat er geen sprake was van schade die aan het UWV kon worden toegerekend. De afwijzing van de immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding werd bevestigd.
De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 25 januari 2008, waarbij de aangevallen uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage werd bekrachtigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding aan appellante.