ECLI:NL:CRVB:2008:BC3281
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering
Appellante, werkzaam als magazijnmedewerker, meldde zich ziek per 31 maart 2003 vanwege fysieke en psychische klachten. Het UWV stelde een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op en besloot per 29 maart 2004 haar WAO-uitkering te ontzeggen, omdat zij naar oordeel van het UWV haar eigen arbeid kon verrichten en ook andere functies kon vervullen.
Appellante stelde dat haar psychische beperkingen waren onderschat en ondersteunde dit met medische rapporten van een zenuwarts en een psychiater. Na nader onderzoek door een door het UWV ingeschakelde psychiater en een arbeidsdeskundige concludeerde het UWV dat appellante beperkt was in haar functioneren maar toch in staat was bepaalde functies te vervullen, waardoor haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg.
De Raad oordeelt dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is en vernietigt dit besluit en de aangevallen uitspraak van de rechtbank. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven echter in stand. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellante.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot ontzegging van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.