ECLI:NL:CRVB:2008:BC3108
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- G.J.H. Doornewaard
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering ondanks beperkingen appellant gegrond verklaard
Appellant ontving sinds 1988 een volledige WAO-uitkering wegens ernstige arbeidsongeschiktheid. Het Uwv trok deze uitkering in per 20 november 2003, omdat appellant volgens hen nog in staat was om met zijn beperkingen passende arbeid te verrichten en daardoor minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
De Raad beoordeelde medische rapporten van verzekeringsartsen, een zenuwarts en psychiater, waarin beperkingen op het gebied van gehoor, psychische klachten en duizeligheid werden vastgesteld. Ondanks deze beperkingen concludeerden de artsen dat appellant voltijds arbeid kon verrichten mits rekening werd gehouden met zijn beperkingen. Ook arbeidsdeskundig onderzoek wees uit dat appellant geschikt was voor functies als medewerker tuinbouw, schoonmaker hotel en productiemedewerker textiel.
Appellant voerde aan dat het Uwv zijn beperkingen onderschatte en dat de belastbaarheid van de functies te hoog was. Ook stelde hij dat geen adequate uitlooptermijn was gehanteerd bij intrekking van de uitkering. De Raad vond echter dat het Uwv voldoende rekening had gehouden met alle klachten en beperkingen en dat de selectie van functies adequaat was gemotiveerd. De stelling over de uitlooptermijn werd verworpen.
De Raad vernietigde het bestreden besluit, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven, waarmee de intrekking van de uitkering gehandhaafd blijft. Tevens veroordeelde de Raad het Uwv tot vergoeding van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de intrekking van de WAO-uitkering blijft in stand.