ECLI:NL:CRVB:2008:BC3003

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-311 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering na zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek

Appellante ging in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht die het beroep tegen het besluit van het UWV tot herziening van haar WAO-uitkering ongegrond verklaarde. De rechtbank had de conclusies van de bezwaarverzekeringsartsen en de arbeidskundige beoordeling onderschreven, waarbij voldoende rekening was gehouden met de klachten van appellante.

In hoger beroep stelde appellante dat zij volledig arbeidsongeschikt bleef en dat haar rechterschouder- en handklachten onvoldoende waren meegewogen. Ook stelde zij dat zij vanwege een forse urenbeperking niet in staat was de aangeduide functies te vervullen. De Raad overwoog dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen juist en volledig waren vastgesteld.

De Raad vond geen aanleiding om de beperkingen aan te scherpen, mede omdat de informatie uit de behandelende sector onvoldoende aanknopingspunten bood voor appellantes stellingen. De eigen mening van appellante over haar gezondheidssituatie werd niet doorslaggevend geacht. Gezien de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige was niet gebleken dat appellante de werkzaamheden behorende bij de geduide functies niet kon verrichten.

Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar 55-65% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.

Uitspraak

06/311 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 december 2005, 05/632 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 25 januari 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2007, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. B.J. Stuiver, kantoorgenoot van mr. Van Ham. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. van Dam.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank in rubriek II van de aangevallen uitspraak heeft weergegeven.
De Raad volstaat hier met de vermelding dat het Uwv bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 1 september 2005, de tot dan aan appellante naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% verleende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering per 27 juli 2004 heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen omtrent de belastbaarheid van appellante onderschreven. Naar het oordeel van de rechtbank zijn die artsen voldoende zorgvuldig te werk gegaan, zijn de gegevens vanuit de behandelende sector in de beoordeling kenbaar betrokken en is in voldoende mate rekening gehouden met appellantes klachten. Ook de arbeidskundige grondslag ontmoette bij de rechtbank geen bezwaren. De rechtbank heeft het tegen het besluit van 1 september 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij volledig arbeidsongeschikt is gebleven, dat ten onrechte geen rekening is gehouden met haar rechterschouder- en handklachten en dat haar ziekteklachten gelet op de overgelegde informatie van artsen en de fysiotherapeut voldoende geobjectiveerd zijn. Voorts heeft zij gesteld dat zij wegens een forse urenbeperking op medische gronden niet in staat is de geduide functies te vervullen.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek vanwege het Uwv zorgvuldig is geweest en ziet met de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de bij appellante vastgestelde beperkingen. De Raad neemt voorts in aanmerking dat door de bezwaarverzekeringsarts op basis van dossieronderzoek en de informatie uit de behandelende sector, afdoende is gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gevonden om de eerder vastgestelde beperkingen aan te scherpen. In dit verband merkt de Raad op dat die informatie onvoldoende aanknopingspunten biedt voor appellantes opvatting dat haar rechterschouder- en handklachten zijn onderschat. De Raad overweegt ten slotte dat aan appellantes eigen mening met betrekking tot haar gezondheidssituatie niet dat gewicht toegekend kan worden dat zij daaraan gehecht wil zien.
Aldus uitgaande van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen bij appellante ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad, gezien de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 29 augustus 2005, niet gebleken dat appellante de werkzaamheden behorende bij de eerder geduide, door de bezwaararbeidsdeskundige aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet zou kunnen verrichten.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2008.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) M. Lochs.
JL