ECLI:NL:CRVB:2008:BC2237

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6577 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
  • R. Kooper
  • K.J. Kraan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21a BeroepswetArt. 8:75 Algemene wet bestuursrechtArt. 6 EVRM
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep door bevoegd bestuursorgaan

Betrokkene was tijdelijk in dienst bij de rechtbank Amsterdam en werd arbeidsongeschikt. De minister van Justitie vorderde ten onrechte teveel betaalde bezoldiging terug. De rechtbank Alkmaar verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het terugvorderingsbesluit, waarbij ook immateriële schade werd toegekend.

Het bestuur van de rechtbank Amsterdam stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, hoewel het in eerste aanleg geen partij was en het hoger beroep zich richtte tegen de minister. Later trok het bestuur het hoger beroep in. Betrokkene vorderde daarop vergoeding van proceskosten.

De Raad stelde vast dat het bestuur van de rechtbank als bevoegd bestuursorgaan het hoger beroep mocht instellen en dat bij intrekking van het hoger beroep het bestuursorgaan op verzoek van de wederpartij in de proceskosten kan worden veroordeeld. De Raad veroordeelde het bestuur tot betaling van €161 aan proceskosten.

Hiermee bevestigt de Raad dat ook een bestuursorgaan dat in eerste aanleg niet als partij optrad, maar in hoger beroep wel, kan worden veroordeeld in proceskosten bij intrekking van het hoger beroep. Dit volgt uit artikel 21a van de Beroepswet en artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het bestuur van de rechtbank Amsterdam wordt veroordeeld tot betaling van €161 aan proceskosten aan betrokkene.

Uitspraak

06/6577 AW
Centrale Raad van Beroep
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 21a van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
het Bestuur van de rechtbank Amsterdam (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 12 juni 2006, 05/1464 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene], (hierna: betrokkene)
en
de Minister van Justitie (hierna: minister)
Datum uitspraak: 3 januari 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Namens betrokkene heeft mr. L.A. van Kan, advocaat te Alkmaar, bij schrijven van 14 februari 2007 een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
Bij brief van 20 februari 2007 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken.
Bij brief van 12 maart 2007 heeft mr. Van Kan namens betrokkene aangegeven voor vergoeding van proceskosten in aanmerking te willen komen.
Bij verweerschrift van 11 april 2007 heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat er geen grond is voor een proceskostenveroordeling, nu het bestuur van de rechtbank Amsterdam als enige belanghebbende hoger beroep heeft ingesteld en dit beroep bovendien niet was ingesteld tegen betrokkene als partij in het geding, maar zich uitsluitend richtte tegen de (onbevoegdheid van de) minister.
Met toestemming van appellant en betrokkene heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.2. Betrokkene is van 15 februari 2000 tot 15 november 2000 in tijdelijke dienst werkzaam geweest als griffier/administratief medewerker bij de rechtbank Amsterdam. In die periode is hij arbeidsongeschikt geworden, in verband waarmee zijn bezoldiging na het eindigen van zijn dienstverband werd doorbetaald.
1.3. Bij besluit van 14 mei 2003, gehandhaafd bij besluit van 10 juni 2005, heeft de minister de teveel betaalde bezoldiging van betrokkene teruggevorderd.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 10 juni 2005 geheel in stand blijven en de minister in verband met schending van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden veroordeeld tot vergoeding van de door betrokkene geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1000,-, te betalen door de Staat der Nederlanden.
Betrokkene en de minister hebben beiden berust in deze uitspraak.
3.1. Nadat appellant enige maanden later kennis had gekregen van de aangevallen uitspraak heeft hij hiertegen beroep ingesteld op de grond dat de rechtbank niet heeft onderkend dat sinds 1 januari 2002 niet de Minister van Justitie, maar het bestuur van de gerechten beschikt over de rechtspositionele bevoegdheden (waaronder de onderhavige terugvorderingsbevoegdheid) ten aanzien van de bij de betrokken gerechten werkzame gerechtsambtenaren.
3.2. In reactie hierop heeft de gemachtigde van betrokkene een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
4. De Raad stelt vast dat appellant vervolgens het hoger beroep heeft ingetrokken en dat namens betrokkene een verzoek om veroordeling in de proceskosten van betrokkene is gedaan.
De rechtsvraag die de Raad thans heeft te beantwoorden is of een bestuursorgaan (zoals in dit geval appellant) dat in eerste aanleg niet als verwerende partij is opgetreden, maar zich wel in hoger beroep stelt als het rechtens bevoegde bestuursorgaan, bij intrekking van zijn hoger beroep kan worden veroordeeld in de proceskosten van de betrokkene.
4.1. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Artikel 21a, eerste lid, eerste volzin, van de Beroepswet bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de kosten kan worden veroordeeld.
Dat de wetgever, blijkens de wetsgeschiedenis, vooral heeft gedacht aan het bestuursorgaan dat bij de rechtbank als verwerende partij is opgetreden, sluit naar het oordeel van de Raad niet uit dat een ander bestuursorgaan, dat als beweerdelijk bevoegd bestuursorgaan hoger beroep heeft ingesteld en dit intrekt, wordt veroordeeld in de proceskosten die door deze handelwijze zijn opgeroepen.
4.2. De kosten van het indienen van de schriftelijke uiteenzetting namens betrokkene worden door de Raad aangemerkt als redelijkerwijs gemaakte kosten in verband met de behandeling van het hoger beroep. Voor het opstellen van een schriftelijke uiteenzetting, een handeling die valt onder de limitatieve opsomming van proceshandelingen die volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen, wordt op grond van dit besluit een half punt toegekend. Dit leidt tot een veroordeling van appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 161,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 161,-, te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van de Raad.
Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en R. Kooper en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.W. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2008.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) P.W.J.Hospel.
HD
3.01
Q