ECLI:NL:CRVB:2008:BC2183
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV over geschiktheid voor arbeid en weigering ziekengeld
Appellant, die sinds januari 1999 arbeidsongeschikt was verklaard met een WAO-uitkering, meldde zich in maart 2004 ziek wegens rug- en knieklachten. Na onderzoek door een verzekeringsarts werd vastgesteld dat appellant per 18 mei 2004 niet langer ongeschikt was voor zijn arbeid, waarna het UWV het recht op ziekengeld introk.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard omdat het bezwaar betrekking had op een verzoek tot heroverweging van een eerder besluit van mei 2004, waartegen geen tijdig bezwaar was gemaakt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht de zaak opnieuw had beoordeeld, maar dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die een herziening van het oorspronkelijke besluit rechtvaardigden. Er was geen sprake van strijd met rechtsregels of algemene rechtsbeginselen. De Raad zag ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant niet ongeschikt is voor arbeid en geen recht heeft op ziekengeld.