ECLI:NL:CRVB:2008:BC2178
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewet wegens geschiktheid voor arbeid na WAO-beoordeling
Appellant, werkzaam als chauffeur, meldde zich op 14 mei 2003 ziek vanwege hartkloppingen, duizeligheid en moeheid. Na een WAO-beoordeling werd hij geschikt geacht voor gangbare arbeid met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 45%. Op 31 januari 2005 meldde appellant zich opnieuw ziek met soortgelijke klachten. Een verzekeringsarts concludeerde dat er geen wijziging in zijn medische situatie was en dat appellant geschikt bleef voor de eerder vastgestelde functies.
Het Uwv weigerde daarom ziekengeld op grond van de Ziektewet per 31 januari 2005. Appellant voerde bezwaar aan met een verklaring van zijn psychiater, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank Arnhem bevestigde dit oordeel, waarbij zij de medische rapportages en verklaringen van de behandelend psychiater en huisarts meewegde.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en benadrukte dat volgens vaste jurisprudentie onder 'zijn arbeid' wordt verstaan de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid, tenzij de verzekerde na de wachttijd blijvend ongeschikt is voor dat werk en niet in enig ander werk is hervat. In dat geval geldt de WAO-beoordeling als maatstaf. Omdat appellant geschikt werd geacht voor ten minste één functie uit de WAO-selectie, is geen recht op ziekengeld aanwezig. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op ziekengeld omdat hij geschikt is voor ten minste één functie uit de WAO-beoordeling.