ECLI:NL:CRVB:2008:BC1999
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek WUBO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant, geboren in 1941 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht in 2003 om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en een WUBO-uitkering vanwege gezondheidsklachten gerelateerd aan zijn ervaringen tijdens de Japanse bezetting en de Bersiap-periode. Dit verzoek werd in 2004 afgewezen omdat niet was vastgesteld dat appellant direct betrokken was bij oorlogsgeweld.
In maart 2006 vroeg appellant om herziening van dit negatieve besluit, maar verweerster wees dit verzoek af omdat appellant geen relevante nieuwe feiten of gegevens had aangevoerd die tot een andere beslissing zouden kunnen leiden. De Raad toetst deze herzieningsbevoegdheid terughoudend en bevestigt dat de primaire voorwaarde voor erkenning directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld is.
Appellant voerde aanvullende oorlogservaringen aan, waaronder een verwonding in 1948, maar objectieve bevestiging hiervan ontbrak. Volgens vaste rechtspraak is een eigen verklaring zonder objectieve onderbouwing onvoldoende. De Raad verklaart het beroep ongegrond en wijst een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van herziening van de WUBO-uitkering wordt ongegrond verklaard.