ECLI:NL:CRVB:2008:BC1976
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J. Riphagen
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen verlaging WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering arbeidskundige beperkingen
Betrokkene ontving sinds november 2002 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%. Na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid per augustus 2003 en een medisch-arbeidskundig onderzoek, besloot appellant in mei 2005 de uitkering te verlagen naar 15 tot 25%. Betrokkene maakte bezwaar tegen deze besluiten, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit vanwege onvoldoende motivering van de arbeidskundige beperkingen, met name met betrekking tot het niet tijdig starten van activiteiten.
Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de beperking 'start niet tijdig activiteiten' betrekking heeft op functioneren in de werksituatie en niet op het ochtendritme. Betrokkene kon haar dagelijks leven structureren en de functies konden in deeltijd in de middag worden uitgevoerd, waarmee de startproblemen voldoende werden ondervangen. De Raad vond dat de geduide functies passend waren bij de beperkingen en dat de motivering van appellant voldoende was.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover aangevochten en verklaarde het hoger beroep van appellant gegrond. Het beroep van betrokkene werd alsnog ongegrond verklaard. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV is gegrond verklaard en het beroep van betrokkene ongegrond, waardoor de verlaging van de WAO-uitkering in stand blijft.