ECLI:NL:CRVB:2008:BC1967
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing gelijkstelling met vervolgingsslachtoffer op grond van onvoldoende bewijs van vergelijkbare vervolgingsomstandigheden
Appellante, geboren in 1933 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in december 2005 een aanvraag in om met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 gelijkgesteld te worden met een vervolgingsslachtoffer en zo in aanmerking te komen voor een periodieke uitkering.
Zij stelde dat haar vader tijdens de Japanse bezetting geïnterneerd was en dat zij getuige was van zijn arrestatie en mishandeling door de Japanners. De verweerster wees de aanvraag af omdat de omstandigheden niet voldeden aan de criteria voor gelijkstelling. De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze afwijzing, omdat niet was gebleken dat de arrestatie gepaard ging met excessief geweld en omdat de vader na gevangenschap terugkeerde.
De Raad oordeelde dat de omstandigheden niet vergelijkbaar waren met vervolging en dat er geen reden was om een uitzondering te maken op de toepassing van de Wet. Ook werd geen vergoeding van proceskosten toegekend. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag tot gelijkstelling met een vervolgingsslachtoffer wordt afgewezen.