ECLI:NL:CRVB:2008:BC1949

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1547 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant, werkzaam in een slachterij, viel uit op 12 december 2003 met hiel- en duizeligheidsklachten. Het UWV weigerde een WAO-uitkering per 10 december 2004 omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. De rechtbank vernietigde het besluit wegens gebrekkige motivering over de geschiktheid van functies, maar liet de rechtsgevolgen in stand.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren dat onvoldoende rekening was gehouden met medische beperkingen, mede op basis van informatie uit de behandelende sector. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en weloverwogen was, waarbij ook informatie uit de behandelende sector was meegewogen. Er waren geen gegevens die verdergaande beperkingen rechtvaardigden.

De Raad stelde vast dat de functies medisch geschikt waren voor appellant en dat de aanvullende rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige voldoende onderbouwing gaf voor de geschiktheid van de geselecteerde functies. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het UWV werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van appellant in hoger beroep van € 322.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering en veroordeelt het UWV tot betaling van proceskosten van € 322.

Uitspraak

06/1547 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 31 januari 2006, 05/2653 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 januari 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en aanvullend een stuk ingezonden, waarop van de zijde van appellant is gereageerd bij brief van 29 november 2007.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2007, waar appellant met bericht van verhindering niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diekema.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, die werkzaam was als medewerker in een slachterij, is op 12 december 2003 uitgevallen met klachten van de hiel en duizeligheidsklachten.
Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 13 juni 2005 (hierna: het bestreden besluit) waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn besluit van 6 januari 2005, strekkende tot de weigering van een uitkering aan appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering per 10 december 2004 omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.
De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, geoordeeld dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en dat de medische beperkingen van appellant niet zijn onderschat. De rechtbank heeft zich voorts kunnen verenigen met de functies zoals deze als grondslag voor de schatting in aanmerking zijn genomen, maar heeft het besluit onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen. Dit omdat de motivering van de geschiktheid van de geselecteerde functies pas in beroep is gegeven met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige.
Namens appellant zijn de eerdere beroepsgronden herhaald. Deze houden - kort samengevat - in dat door de artsen onvoldoende mate rekening is gehouden met de aandoeningen en beperkingen, zoals deze geobjectiveerd kunnen worden met informatie uit de behandelende sector. Ten slotte is verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten omdat de bezwaararbeidsdeskundige T.C.W.J. Stokking pas in hoger beroep de motivering van items voorzien van een “G” op het resultaat functiebeoordeling heeft gegeven.
De Raad overweegt als volgt.
Voor wat betreft de medische grondslag kent de Raad evenals de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Naar het oordeel van de Raad is het onderzoek van die artsen zorgvuldig en weloverwogen geweest, waarbij de Raad aantekent dat informatie uit de behandelende sector is meegewogen en dat appellant geen gegevens heeft overgelegd op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat door de (bezwaar)verzekeringsartsen verdergaande beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst hadden moeten worden opgenomen.
De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, evenmin grond om ervan uit te gaan dat de aan appellant voorgehouden functies voor hem in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn. Naar het oordeel van de Raad is onder verwijzing naar zijn jurisprudentie met betrekking tot het Claimbeoordeling- en Borgingssysteem met de in hoger beroep ingezonden rapportage van genoemde bezwaararbeidsdeskundige, in aanvulling op de eerdere arbeidskundige rapportages, thans genoegzaam aangegeven waarom de functies als voor appellant passend kunnen worden aangemerkt.
Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak, waarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten, dient te worden bevestigd. Tevens zijn er termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep, welke kosten worden begroot op € 322,--.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
JL