ECLI:NL:CRVB:2008:BC1591
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om terugkomen van intrekking toeslag op grond van de Toeslagenwet
Appellant ontvangt sinds 1976 een arbeidsongeschiktheidsuitkering en sinds 1987 een toeslag op grond van de Toeslagenwet na zijn huwelijk. In 2004 geeft appellant aan gescheiden te leven, waarna het UWV de toeslag per 1 februari 2001 intrekt en onverschuldigd betaalde bedragen terugvordert, inclusief een boete. Appellant verzoekt later om terug te komen op deze besluiten, stellende dat hij en zijn echtgenote wel degelijk op hetzelfde adres wonen en dat zijn echtgenote psychische problemen heeft.
De rechtbank oordeelt dat de door appellant overgelegde verklaringen van de burgerlijke stand geen aanleiding geven tot herziening van de besluiten, mede gelet op de eigen verklaring van appellant uit 2004. Het UWV heeft volgens de rechtbank terecht het verzoek afgewezen op grond van artikel 4:6, tweede lid, Awb, waarbij volstaan kon worden met verwijzing naar eerdere besluiten.
In hoger beroep herhaalt appellant zijn standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep stelt vast dat noch de verklaringen over de woonplaats van de echtgenote, noch de psychische toestand als nieuw bewijs kunnen gelden, omdat deze feiten eerder ingebracht hadden kunnen worden. De Raad bevestigt dat het UWV bevoegd was en dat geen sprake is van evidente onjuistheid die herziening rechtvaardigt. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen van de intrekking van de toeslag wordt afgewezen en het hoger beroep ongegrond verklaard.